Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
03/471 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is sprake van duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet? Aansluiting bij vaste jurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 1a
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/471 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 november 2002, kenmerk JZ/U80/2002/0923, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. F.H. Koers, advocaat te Amsterdam, namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is aangegeven waarom eiseres zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 december 2003 heeft de gemachtigde van eiseres nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 januari 2004. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. F.H. Koers, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1954, is gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Haar is met ingang van 1 juni 1992 een periodieke uitkering in de zin van de Wet toegekend, berekend naar het voor de gehuwde vervolgde op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geldende percentage van 85 van de ingevolge artikel 8 van de Wet vastgestelde grondslag. Eiseres is sinds 12 februari 1992 wettig gehuwd met [naam echtgenoot].

Naar aanleiding van nader ontvangen gegevens omtrent eiseres, afkomstig van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: het GBA), waaruit bleek dat eiseres sinds 1997 op een ander adres stond ingeschreven dan haar echtgenoot, heeft verweerster genoemd percentage bij berekeningsbeschikking van 30 juni 2002 met ingang van 1 juni 2002 - voorlopig - verlaagd naar het ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet voor de alleenstaande vervolgde geldende percentage van 75.

Hiertegen is namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 november 2002 heeft verweerster eiseres verzocht binnen twee weken na dagtekening van deze brief nadere bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat sprake is van een duurzame samenwoon-relatie van eiseres en haar echtgenoot. Hierbij is aangegeven dat verweerster voornemens was uiterlijk 1 december 2002 een besluit op het bezwaarschrift te nemen.

Vervolgens heeft verweerster bij het bestreden besluit van 29 november 2002 te kennen gegeven haar standpunt te handhaven. Hierbij is, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 1a, derde lid, van de Wet, overwogen dat geen sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding omdat eiseres op een ander woonadres staat ingeschreven dan haar echtgenoot. Het percentage van de grondslag waarnaar de uitkering van eiseres wordt berekend is derhalve terecht vastgesteld op 75. Hierbij is opgemerkt dat in de zin van de Wet onder alleenstaand onder meer wordt verstaan de uitkeringsgerechtigde die wel wettig is gehuwd maar duurzaam gescheiden leeft.

Naar aanleiding van op 29 november 2002 bij verweerster ingekomen nadere bewijsstukken van eiseres, heeft verweerster eiseres bij brief van 4 december 2002 medegedeeld het besluit van 29 november 2002 te hebben heroverwogen en tot de slotsom te zijn gekomen dat er geen reden is om haar oordeel te wijzigen.

De Raad ziet, gelet op het bepaalde in artikel 6:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in die mededeling niet meer dan een standpuntbepaling van verweerster naar aanleiding van nader ingediende stukken, welke stukken en welk standpunt ook in beroep bij de Raad hadden kunnen worden ingebracht en als zodanig in de beoordeling van het geschil worden meegenomen.

De Raad dient in dit geding derhalve te beoordelen of het bestreden besluit van 29 november 2002, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan stand houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Verweerster heeft zich, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Wet. Hiertoe acht verweerster, onder analoge toepassing van het bepaalde in artikel 30, tweede en vierde lid, van de Wet, de officiële inschrijving bij het GBA van betrokkenen op een verschillend adres doorslaggevend.

De Raad kan verweerster hierin niet volgen.

Hierbij stelt de Raad voorop dat, nog daargelaten dat verweerster artikel 30, tweede en vierde lid, van de Wet niet kenbaar aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd noch (in het uiterste geval) in het verweerschrift heeft vermeld, deze artikelleden naar het oordeel van de Raad, gelet op de omstandigheid dat genoemde artikelleden deel uitmaken van het hoofdstuk van de Wet dat ziet op "Aanvraag en toekenning", ook uitsluitend toepassing kunnen vinden in het kader van een aanvraag en toekenning van een uitkering. De Raad hecht er aan hierbij nog op te merken dat, voor zover bij verweerster sprake is van een nader (wetsinterpreterend) beleid op dit punt, de Raad dit beleid om deze reden reeds op voorhand onjuist acht.

In artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet is onder meer bepaald dat ongehuwde personen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd worden aangemerkt. In het tweede lid, aanhef en onder b, van genoemd artikel is bepaald dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. In artikel 1a, derde lid, van genoemd artikel is onder meer bepaald dat van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid slechts sprake kan zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding.

De Raad is van oordeel dat verweerster ten onrechte artikel 1a, derde lid, van de Wet heeft toegepast, nu deze bepaling slechts betrekking heeft op ongehuwde personen en niet in geschil is en ook voor de Raad vast staat dat eiseres ten tijde hier van belang wettig was gehuwd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit reeds wegens strijd met artikel artikel 1a, derde lid, van de Wet niet in stand kan worden gelaten.

Ook op andere - inhoudelijke - gronden is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten. De Raad heeft hiertoe het volgende overwogen.

Zoals de Raad ook in het kader van de uitvoering van de wetten op het gebied van de sociale zekerheid reeds meermalen heeft overwogen, is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

Naar van de zijde van eiseres te kennen is gegeven voorziet eiseres gezamenlijk met haar echtgenoot in de huisvesting, in die zin dat haar echtgenoot zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als eiseres. De inschrijving van de echtgenoot op een ander adres heeft enkel plaatsgevonden om een tweede woning te kunnen huren, waar aan buitenlandse gasten onderdak kan worden geboden. De ruimte in de echtelijke woning is daartoe te beperkt. Eiseres heeft haar standpunt met verschillende bewijsstukken geadstrueerd.

Onder vorenvermelde omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet gesproken worden van duurzaam gescheiden leven, als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet. De Raad merkt hierbij nog op dat het feit dat betrokkenen op een verschillend adres staan ingeschreven naar zijn oordeel hooguit een indicatie kan vormen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven, als bedoeld in voormeld artikellid.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster het ten aanzien van eiseres ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet gehanteerde uitkerings-percentage van 85 voor de gehuwde vervolgde ten onrechte heeft verlaagd naar het ingevolge in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet geldende percentage van 75 voor de alleenstaande vervolgde.

De Raad acht termen aanwezig verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze worden begroot op € 644,--, ter zake van verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt verweerster tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het namens haar gestorte griffierecht ad € 27,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) P.W.J. Hospel.