Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
02/5127 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag vergoeding van vervoerskosten voor deelname aan gespreksgroepen met lotgenoten.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5127 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [eiser], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 19 september 2002, kenmerk JZ/V70/2002/0685, ten aanzien van eiser een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) en de door zijn echtgenote gegeven aanvulling daarop is uiteengezet waarom eiser het met het besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft eiser hierop nog gereageerd bij brief van 8 juli 2003 (met bijlagen).

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juli 2003. Aldaar is eiser, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aangezien de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft hij dit heropend.

Desgevraagd heeft verweerster bij brief van 27 oktober 2003 aan de Raad nadere informatie doen toekomen. Eiser heeft eveneens nog een brief (met bijlagen) aan de Raad toegezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 15 januari 2004. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote M.E. Nagel-Marijam, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren op 23 mei 1929 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet en hem zijn diverse voorzieningen toegekend. Aanvaard is dat zijn psychische klachten (inclusief psychosomatische rug- en beenklachten), status na rechter armbreuk en status na TBC in verband staan met de vervolging die hij heeft ondergaan.

In januari 2002 is door eiser een vervolgaanvraag bij verweerster ingediend, waarbij hij - voor zover hier van belang - heeft verzocht om een voorziening voor vervoer in verband met het bijwonen van gespreksgroepen en groepstherapie bij de Stichting Sociaal Medische Begeleiding (SMB) te Eindhoven en te Bronbeek (Arnhem).

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 12 maart 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op grond van de overweging dat er voor deze voorziening geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid is op grond ziekten of gebreken die uit de vervolging voortvloeien. Tevens is bij het bestreden besluit medegedeeld dat geen rechten kunnen worden ontleend aan in het verleden ten onrechte verstrekte vergoedingen.

In beroep wordt door eiser - kort samengevat - aangevoerd dat deelname aan de gespreks-groepen en de begeleiding van psychiater A.C. Blom van groot belang zijn voor zijn gezondheidstoestand en dat de reiskosten voor psychotherapie in voorafgaande jaren wel zijn vergoed.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Verweersters besluit is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal van haar geneeskundig adviseurs, waarbij de verkregen gegevens van eisers psychiater P.A.F.H. Holzer, internist dr. W.S. de Loos en psychiater A.C. Blom zijn betrokken. Uit die adviezen komt naar voren dat deelname door eiser aan de gespreksgroepen met lotgenoten geen reguliere psychotherapeutische/psychiatrische behandeling betreft. Evenmin blijkt dat deelname aan de gespreksgroepen aan eiser is voorgeschreven door een behandelend arts of deel uitmaakt van een lopende psychotherapeutische behandeling. De gespreksgroepen berusten op contacten met lotgenoten zonder dat er sprake is van directe leiding door een psychotherapeut, zodat dit niet kan worden beschouwd als groepstherapie. Derhalve wordt geen medische of medisch-sociale indicatie voor de gevraagde voorziening aanwezig geacht in verband met de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten van eiser.

De Raad kan verweerster in dit oordeel volgen. In de omtrent eiser beschikbare gegevens van medische aard en in hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van verweerster voor onjuist te houden. Het voorgaande betekent dat verweerster op goede gronden heeft geweigerd aan eiser de door hem gevraagde voorziening toe te kennen.

De vraag of eiser aan de door verweerster in de periode vanaf 19 maart 1999 tot 15 november 2001 vergoede reiskosten voor deelname aan de gespreksgroepen bij SMB een gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat deze uitbetaling wordt voortgezet, beantwoordt de Raad ontkennend. Daartoe overweegt hij dat eiser door de wijze van declareren van zijn reiskosten bij verweerster zelf het misverstand heeft gewekt dat deze kosten in verband stonden met vervoer voor psychotherapeutische hulp, waarvoor in het verleden door verweerster wel een vergoeding aan eiser is toegekend. In dit geval en onder deze omstandigheden kan eiser dan ook geen aanspraak maken - zelfs niet met inachtneming van een overgangstermijn - op voortzetting van de onterechte uitbetaling van gedeclareerde vervoerskosten.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit dan ook geen grond. Het ingestelde beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) P.W.J. Hospel.