Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
02/4417 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verhoging normbedrag sociaal vervoer omdat hiervoor verband tussen psychische klachten en behoefte aan taxivervoer ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4417 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 30 juli 2002, kenmerk JZ/X70/2002/0537 heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945.

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 januari 2004. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Berkel, voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres uitkeringsgerechtigde krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de psychische klachten van eiseres in overwegende mate verband houden met de door haar ouders ondergane vervolging. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de hart-, long- en reumatische klachten en hoofdpijn. Aan eiseres zijn diverse voorzieningen toegekend.

Een aanvraag van mei 1996 namens eiseres betreffende de toekenning van een voorziening ter zake van de aanschaf van een auto is door verweerster afgewezen bij besluit d.d. 22 november 1996, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit d.d. 25 april 1997, op de grond dat eiseres geen rijbevoegdheid heeft en ook geen inwonende partner of echtgenoot met een geldig rijbewijs heeft.

Bij uitspraak van 2 september 1999, nummer 97/4318 WUV, heeft de Raad het beroep dat namens eiseres tegen laatstgenoemd besluit is ingesteld, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 augustus 1997 is aan eiseres met ingang van 1 mei 1996 een vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet van de extra kosten verbonden aan vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toegekend. Bij besluit van 19 februari 1998 is deze vergoeding met ingang van 1 december 1997 verhoogd van f 166,-- naar f 250,-- (thans: € 136,13 per maand), zijnde de voor Sinti en Roma, tot welke groep eiseres behoort, vanwege hun traditioneel hogere vervoersbehoefte verhoogde vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten.

Een aanvraag van juli 1999 namens eiseres betreffende de toekenning van een voorziening ter zake van de aanschaf van een brommobiel is door verweerster afgewezen bij besluit d.d. 18 mei 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit d.d.29 augustus 2000. Daartoe is overwogen dat het gevraagde vervoermiddel - in tegenstelling tot een auto - een beperkte actieradius heeft en derhalve alleen geschikt is om er in de directe omgeving mee te rijden, terwijl op grond van de klachten bij eiseres, ten aanzien waarvan een verband met de tweede generatieproblematiek is aanvaard, er geen beperkingen zijn om zich in de directe omgeving te kunnen verplaatsen. Het zijn de overige niet causale klachten die het eiseres moeilijk maken om te wandelen of te fietsen.

Bij uitspraak van 19 juli 2001, nummer 00/4751 WUV heeft de Raad het beroep dat namens eiseres tegen dit besluit is ingesteld, eveneens ongegrond verklaard.

In september 2001 heeft de gemachtigde van eiseres zich opnieuw tot verweerster gewend, nu met het verzoek eiseres in aanmerking te brengen voor een hogere vergoeding van de kosten voor het onderhouden van sociale contacten omdat het aan haar toegekende normbedrag niet toereikend is. Namens eiseres is aangevoerd dat zij, nu zij niet beschikt over een auto terwijl zij hierop wel is aangewezen, voor alle verplaatsingen buitenshuis is aangewezen op vervoer per taxi. Bij het verzoek is een taxirekening over de maand augustus 2001 gevoegd waaruit blijkt dat zij in die maand € 351,79 aan taxikosten heeft gemaakt.

Verweerster heeft bij besluit d.d. 5 april 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het onderhavige bestreden besluit, deze aanvraag afgewezen op de grond dat het normbedrag toereikend wordt geacht. De hoge kosten die eiseres maakt zijn volgens verweerster mede te wijten aan het feit dat eiseres ook voor vervoer over korte afstanden gebruik maakt van een taxi terwijl zij voor deze verplaatsingen niet door haar psychische klachten beperkt wordt in haar mogelijkheden zich te voet of per fiets te verplaatsen maar door haar niet als causaal aanvaarde lichamelijke klachten.

De Raad heeft in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend op grond van het volgende.

Ingevolge artikel 20 van de Wet worden - voorzover hier van belang - de extra kosten van, op grond van met de vervolging in verband staande ziekten of gebreken noodzakelijke, voorzieningen volledig vergoed. Uit deze bepaling volgt dat de door eenieder te maken, gebruikelijke vervoerskosten buiten beschouwing moeten blijven en alleen de daarbovenuit stijgende extra kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van extra vervoerskosten voor het onderhouden van sociale contacten heeft verweerster zogenoemde normbedragen vastgesteld.

Naar de Raad reeds vele malen eerder heeft overwogen is het, bij wijze van richtlijn hanteren van normbedragen ook voor de toepassing van artikel 20 van de Wet aanvaardbaar, mits zodanige norm op reële gronden berust en telkenmale wordt bezien of sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toekenning van een hogere vergoeding moeten leiden. Ook de onderhavige verhoogde norm voor Sinti en Roma heeft de Raad eerder aanvaardbaar geoordeeld.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster ten aanzien van eiseres op goede gronden bepaald dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het aan eiseres toegekende verhoogde normbedrag niet toereikend is te achten.

Eiseres is weliswaar volledig beperkt geacht in het gebruik maken van het openbaar vervoer maar dit brengt nog niet met zich dat al haar verplaatsingen per taxi, ook voor vervoer over korte afstanden voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Voor die verplaatsingen is eiseres immers, naar eerder al in rechte is vastgesteld, niet vanwege haar als causaal aanvaarde psychische klachten maar vanwege haar lichamelijke klachten beperkt. Dat eiseres om andere redenen aan de Wet geen recht kan ontlenen voor vergoeding of tegemoetkoming ter zake van kosten verbonden aan de aanschaf van een auto maakt dit niet anders.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het namens eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.