Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
02/4528 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meetellen van dienstjaren voor AFUP-garantieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4528 ABP

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juni 2002, nr. Awb 01 - 1120 ABP H V59 G17 Kl, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H. Tamsma en H. Kuiper, beiden werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1978 werkzaam bij de spoorwegpolitie van de Nederlandse Spoorwegen (NS) en uit dien hoofde tevens onbezoldigd ambtenaar van het voormalige Korps rijkspolitie. Per 1 juni 1991 heeft hij ontslag genomen bij de NS en is hij in dienst getreden van het Korps rijkspolitie. In het kader van de reorganisatie van de Nederlandse politieorganisatie is appellant per 1 april 1994 overgegaan naar de politieregio Amsterdam-Amstelland en thans is hij werkzaam bij de politieregio Zaanstad-Waterland.

1.2. Per 1 januari 2001 is de Regeling Functioneel Leeftijdsontslag (flo-regeling) voor de politie vervangen door de Aanvullende Flexibele Uittredingsregeling Politie (AFUP), zulks in aanvulling op de algemene Flexibel Pensioen en Uittredingsregeling (FPU), met een bijbehorende garantieregeling, de AFUP-garantieregeling. Begin 2001 is aan appellant meegedeeld dat hij op de peildatum 1 januari 2001 voor de toepassing van de AFUP-garantieregeling, uitgaande van indiensttreding bij de politie op 1 juni 1991, vooralsnog aanspraak heeft op een aantal politiedienstjaren van 9 jaar en 7 maanden. Onder afwijzing van de door appellant hiertegen ingediende bedenkingen heeft gedaagde bij besluit van 3 mei 2001 het aantal politiedienstjaren van appellant aldus vastgesteld, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 juli 2001.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 juli 2001 ongegrond verklaard.

3. Appellant stelt zich op het standpunt dat hem indertijd bij zijn overgang naar de rijkspolitie de toezegging is gedaan dat in zijn verdere loopbaan zijn jaren bij de spoorwegpolitie gelijkgesteld zouden worden met jaren bij de gewone politie. Volgens appellant ziet deze toezegging niet alleen op de gelijkstelling van ervaringsjaren bij eenbevordering, zoals gedaagde meent, maar dient deze ook bij de vaststelling van de garantiejaren voor de AFUP effect te krijgen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De AFUP-garantieregeling is een overgangsregeling die is bestemd voor de werknemers die, kort gezegd, op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een flo-gerechtigde functie vervulden, op 1 januari 2001 jonger waren dan 50 jaar en vanaf 1 januari 2001 ononderbroken werknemer waren geweest. De regeling voorziet, omdat deze betrokkenen uiteraard een tekort aan opbouw op grond van de AFUP hebben, in aanvullingen op de uitkeringen die zijn opgebouwd op grond van de FPU en de AFUP. Niet in geding is dat appellant aan vorenvermelde criteria voldoet en derhalve deelnemer is in de AFUP-garantieregeling.

4.2. Ingevolge het tweede lid, onder a en b, van artikel 8 van de AFUP-garantieregeling wordt de zogeheten garantie specifiek, zijnde een aanvulling op het specifieke deel van de AFUP-uitkering, berekend over de jaren voor 1 januari 2001 welke zijn doorgebracht in dienst bij de politie, met uitzondering van de jaren van de eerste opleiding, alsmede direct aan de politiejaren voorafgaande jaren, in dienst van de Koninklijke Marechaussee, waarin ten behoeve van de bijstand bij de politie werkzaamheden zijn verricht, tot een maximum van 25 jaren. Appellant erkent dat zijn jaren bij de spoorwegpolitie niet in dienst van de politie waren, zoals hier is bedoeld. Hij vindt evenwel dat zijn jaren op grond van de hem gedane toezegging daarmee gelijkgesteld moeten worden.

4.2.1. Anders dan appellant meent is voormelde opsomming van werkgevers limitatief. Dat ingevolge de toelichting bij artikel 8 van de AFUP-garantieregeling het aan de werkgever is om in overleg met de werknemer te bepalen welke jaren als politietijd worden aangemerkt, betekent naar het oordeel van de Raad, in aanmerking genomen de duidelijke en slechts voor één uitleg vatbare tekst van genoemd artikel 8, niet meer dan dat de werkgever in overleg met de werknemer vaststelt welke van de dienstjaren voor de opbouw van de garantie specifiek meetellen. Dat uitsluitend voor de Koninklijke Marechaussee, althans voorzover daarin ten behoeve van de bijstand aan de politie werkzaamheden zijn verricht, een uitzondering is gemaakt en niet ook tevens voor de spoorwegpolitie acht de Raad, gelet op gedaagdes beleidsvrijheid terzake niet onrechtmatig. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het werk voor de spoorwegpolitie niet op één lijn is te stellen met werk voor de Koninklijke Marechaussee, voorzover daarin ten behoeve van de bijstand aan de politie werkzaamheden zijn verricht. Uit het vorenstaande volgt dat de 13 dienstjaren uit appellants dienstverband met de NS op grond van de regeling niet bij de berekening van de garantie specifiek kunnen worden betrokken.

4.2.2. De Raad overweegt voorts dat de omstandigheid dat gedaagde deze 13 dienstjaren heeft meegerekend bij het carrièreverloop van appellant, niet met zich meebrengt dat gedaagde gehouden is deze jaren ook anderszins bij de rechtspositie van appellant in beschouwing te nemen. De Raad acht de toezegging waar appellant zich op beroept hiervoor niet concreet genoeg.

4.3. Appellant heeft tot slot onvoldoende aannemelijk gemaakt dat rechtsongelijkheid is ontstaan omdat de korpsbeheerder van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) ten aanzien van ex-collega's van appellant die bij de vrij recente opheffing van de spoorwegpolitie naar dat korps zijn overgegaan, mogelijk wel de jaren doorgebracht bij de spoorwegpolitie voor de opbouw van de garantie specifiek in aanmerking neemt. Bij de verplichte overgang van de werknemers van de spoorwegpolitie naar het KLPD zijn om die overgang voor de betrokken werknemers soepel te laten verlopen speciale afspraken gemaakt, waarbij appellant, die al veel eerder vrijwillig naar de rijkspolitie was overgegaan, niet is betrokken. Appellants positie onderscheidt zich van die van zijn ex-collega's, reeds omdat hij vele jaren eerder en op vrijwillige basis is veranderd van werkgever. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.

5. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) I.D. Veldman.