Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
01/5262 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grondslag blijvend gehele weigering WW. Verwijtbaar gedrag.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/186 met annotatie van A. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5262 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft G.A.M. de Weerd, op bij aanvullend beroepschrift van 2 oktober 2001 aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 9 augustus 2001, reg.nr. AWB 00/8544 WW, gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2004, waar namens appellant is verschenen G.A.M. de Weerd voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uwv, als zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken gaat de Raad voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren op 25 mei 1958, is in 1988 als grondwerktuigkundige in dienst getre-den bij KLM N.V. (hierna: KLM). Van 1 augustus 1988 tot 1 juni 1995 is hij gedetacheerd geweest bij KLM ERA Helicopters B.V. In juni 1995 heeft dit bedrijf zijn activiteiten overgedragen aan FFV Aviocomp B.V., waardoor appellants functie is komen te vervallen. KLM heeft sedert april 1995 getracht appellant te bemiddelen naar passende werkzaamheden. In de periode van 1 januari 1997 tot juni 1997 is appellant geplaatst geweest bij de afdeling Application Development, welke plaatsing is beëindigd omdat appellant een in dat kader benodigde opleiding niet met succes heeft afgerond.

Bij brief van 8 maart 1999 heeft KLM appellant medegedeeld dat, hoewel zij van mening is dat er voldoende bemiddelingsinspanning is verricht, besloten is de bemiddelingsinspanningen met zes maanden te verlengen tot 1 september 1999. Uitdrukkelijk is daarbij aangegeven dat indien deze bemiddeling geen succes heeft KLM zal streven naar beëindiging van het dienstverband. In dit kader is appellant vervolgens van 1 april 1999 tot 30 juni 1999 tijdelijk tewerkgesteld als vliegtuigmonteur bij de BU 747. In de tewerkstellingsbrief van 29 maart 1999 heeft KLM appellant laten weten dat appellant gedurende deze periode zal worden beoordeeld op onder meer de kwaliteit van het werk, productiviteit, samenwerking, inzet en motivatie, interesse in het werk en doorzettingsvermogen. Daarnaast is appellant er op gewezen dat er van hem in het bijzonder veel initiatief wordt verwacht bij het oppakken van taken. Voorts is benadrukt dat het om een tijdelijke plaatsing gaat en dat de bemiddeling in deze periode gewoon doorloopt. In een op 16 juli 1999 gehouden evaluatiegesprek is de tijdelijke proefplaatsing bij de BU 747 negatief beoordeeld. Daarbij is onder meer aangegeven dat appellant slordig werkt, opdrachten niet goed uitvoert, snel is afgeleid en een passieve houding heeft. Met een brief van 25 augustus 1999 heeft KLM bevestigd dat de bemiddelingspogingen per

1 september 1999 zullen worden gestaakt en dat er een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zal worden ingediend. Appellants tijdelijke tewerkstelling -boven de sterkte- bij de afdeling Air Logistics heeft hierop geen invloed omdat er bij deze afdeling geen vacature is.

Bij uitspraak van 22 oktober 1999 heeft de kantonrechter Haarlem appellants arbeidsovereenkomst met KLM met ingang van 1 januari 2000 wegens gewichtige redenen ontbonden en appellant een vergoeding toegekend van f. 21.000,-- (€ 9.529,38). Bij besluit van 27 januari 2000 heeft gedaagde appellant de toekenning van een WW-uitkering geweigerd vanwege het feit dat appellant verwijtbaar werkloos wordt geacht. Appellant heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend en heeft in verband daarmee de de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek door de president bij uitspraak van 18 april 2000 is afgewezen. De president heeft daartoe allereerst overwogen dat het appellant niet kan worden aangerekend dat zijn functie in 1995 is komen te vervallen. Gedaagde heeft zich naar het oordeel van de president echter terecht op het standpunt gesteld dat appellant verweten kan worden dat hij geen nieuwe functie heeft gevonden, aangezien zulks in overwegende mate te wijten is aan appellants opstelling in het doorlopen bemiddelingstraject. Naar het oordeel van de president heeft appellant kansen laten liggen en is hij te lichtvaardig omgegaan met de geboden mogelijkheden. Daarbij acht de president het met name onbegrijpelijk dat appel-lant zonder duidelijke redenen heeft afgezien van pogingen tot outplacement en zich heeft beperkt tot het zoeken naar een functie binnen KLM.

Met het thans bestreden besluit van 16 juni 2000 heeft gedaagde appellants bezwaren tegen het besluit van 27 januari 2000 ongegrond verklaard en de weigering van

WW-uitkering gehandhaafd. Het wordt appellant verweten dat hij geen nieuwe functie heeft gevonden, hetgeen naar het oordeel van gedaagde te wijten is aan zijn opstelling gedurende het bemiddelingstraject. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen in de uitspraak van 18 april 2000 door de president is overwogen en neemt deze overwegingen over.

In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat hij het niet eens is met de weigering van de WW-uitkering, omdat er sprake is van een tekortschieten door zijn werkgever KLM, de Arbodienst, gedaagde en de kantonrechter.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat, voorzover dat niet duidelijk uit het bestreden besluit zou blijken, gedaagde ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat de WW-uitkering aan appellant blijvend geheel is geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder a van de WW.

De vraag die in dit geding aan de orde is, is of gedaagde terecht heeft besloten om de WW-uitkering van appellant blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Ook al is de uiteindelijke reden voor de beëindiging van de dienstbetrekking tussen appellant en KLM in hoofdzaak gelegen in het feit dat er in 1995 een eind is gekomen aan appellants detachering bij KLM ERA Helicopters B.V., hetgeen appellant niet kan worden aangerekend, dan nog moet naar het oordeel van de Raad worden gezegd dat appellant zich door zijn houding en opstelling gedurende het gehele bemiddelingstraject jegens KLM zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking met KLM tot gevolg zou kunnen hebben. De Raad neemt in dit verband in aanmerking dat uit de beschikbare stukken naar voren komt dat KLM, onder meer door de inschakeling van een mobiliteitsmanager, appellant gedurende een lange periode intensief heeft begeleid naar beschikbare vacatures binnen KLM en dat uit diezelfde stukken blijkt dat appellants houding en opstelling in dit verband niet altijd serieus en coöperatief is geweest. De Raad verwijst hiertoe onder meer naar de proble-men die er zijn geweest rond de aanpassing en wijziging van appellants c.v., het niet nakomen van afspraken, het zonder bericht niet verschijnen, het onvoldoende voorbereiden van sollicitatiegesprekken en appellants opstelling ten aanzien van het beperkt werken in nachtdiensten. Ten aanzien van dit laatste stelt de Raad vast dat de bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat er in ieder geval vanaf 1999 voor appellant geen absolute beperkingen meer waren voor het werken in nachtdiensten en dat er geen bezwaren bestonden tegen het beperkt meedraaien in nachtdiensten zoals appellant dat ook in 1996 heeft gedaan.

De Raad kan er in dit verband voorts niet aan voorbijzien dat het appellant, voorzover hij niet reeds eerder doordrongen was van de ernst van de situatie waarin hij verkeerde, na de brief van KLM van 8 maart 1999 in ieder geval duidelijk had moeten zijn dat de bemiddelingspoging met een laatste termijn van zes maanden werd verlengd en dat KLM van plan was het dienstverband te beëindigen indien appellant na afloop van deze termijn nog geen baan binnen KLM had gevonden.

Gedaagde was derhalve gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Daarvoor wijst de Raad er op dat KLM appellant meer dan voldoende heeft begeleid en getracht te bemiddelen naar ander werk en dat appellant in het algemeen te weinig inspanningen heeft verricht om zijn werkloosheid te voorkomen.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep overigens naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) I.D. Veldman.