Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
03/676 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit inzake WUBO is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt besluit echter niet vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/676 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 30 december 2002, kenmerk JZ/F/2002/985, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de Raad. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Bij schrijven van 8 november 2003 heeft eiser een aanvulling op zijn beroepschrift ingezonden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen eiser en de raadskamer WUV onder nr. 03/675 WUV, behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2003, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2001 bij verweerster een verzoek ingediend om toekenning van een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en voorzieningen voor huishoudelijke hulp, vervoer voor het onderhouden van sociale contacten en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hij heeft dat verzoek gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hij in zijn geboorteland heeft meegemaakt tijdens de Japanse bezetting en in de Bersiap-periode, te weten:

Tijdens de Japanse bezetting;

1. verplichte tewerkstelling in Telokgosari

2. verplichte tewerkstelling in Dampit

Tijdens de Bersiap-periode;

3. internering in Lokwaroegevangenis te Malang

4. internering in Aloen Aloen (Kleine Boei)

5. internering in de Wijk, Malang

Verweerster heeft die aanvraag bij besluit van 12 september 2002, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen. Verweerster heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de evengenoemde gebeurtenissen in voldoende mate zijn komen vast te staan en erkend dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld als bedoel in artikel 2, eerste lid onder b en f, van de Wet, doch het verzoek afgewezen onder overweging dat er bij eiser geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Daarbij is het advies gevolgd van verweersters geneeskundig adviseur R. Loonstein naar aanleiding van een onderzoek verricht door de arts G.J. Laatsch.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster die afwijzing, na daartegen door eiser gemaakt bezwaar, gehandhaafd op advies van haar geneeskundig adviseur R. van Gorkum.

In beroep heeft eiser de juistheid van het bestreden besluit betwist stellende dat hij wel degelijk vanwege zijn psychische klachten door het aanvaarde oorlogsgeweld is geïnvalideerd.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad is, evenals in zaak 03/675 WUV, gebleken dat eiser tijdens de bezwaarprocedure aan verweerster heeft verzocht om hem te doen onderwerpen aan een onderzoek door een onafhankelijke psychiater. Dit verzoek heeft verweerster niet ingewilligd zonder aan eiser daarvan voorafgaande aan het bestreden besluit mededeling te doen, hetgeen de Raad, volgens zijn vaste jurisprudentie, in strijd acht met de bij de voorbereiding van het bestreden besluit in acht te nemen zorgvuldigheid. Gezien een en ander is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nochtans ziet de Raad in dit geval, in tegenstelling tot de zaak 03/675 WUV waarin de Raad ook om andere redenen van oordeel was dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid en genomen, voldoende aanleiding om toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb en dit besluit niet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te vernietigen.

Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat hij op grond van de voorhanden medische gegevens tot een inhoudelijk oordeel kan komen over de vraag of de bij eiser bestaande en met zijn voor de Wet in aanmerking te nemen psychische klachten tot invaliditeit in de zin van de Wet hebben geleid.

Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van artikel 2 van de Wet is sprake indien kan worden gewezen op beperkingen van betekenis in het dagelijks functioneren als gevolg van de oorlogsgerelateerde klachten. Die beperkingen worden vastgesteld aan de hand van diverse levenssferen/rubrieken: dagelijks functioneren, sociaal functioneren, concentratie/tempo/volharding en aanpassing aan stressvolle omstandigheden.

Verweerster heeft haar standpunt dat bij eiser ten tijde hier van belang geen sprake was van blijvende invaliditeit in evenbedoelde zin gebaseerd op de adviezen van de geneeskundig adviseurs. Daarbij is bijzondere betekenis toegekend aan de resultaten van het onderzoek van eiser door de arts Laatsch, voornoemd, die heeft geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van causale psychische klachten, deels samenhangend met eisers ervaringen tijdens de Bersiap-periode en deels samenhangend met de niet voor de Wet in aanmerking te nemen arrestatie en het omkomen tijdens de Japanse bezetting van zijn vader, maar dat er geen beperkingen zijn in het sociaal functioneren, concentratie-vermogen en de stressadaptatie van eiser. Op grond hiervan is er geen sprake van zodanige beperkingen dat er gesproken kan worden van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat voldoende medische gegevens voorhanden waren om op de aanvraag te beslissen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de arts Laatsch, voornoemd, uitgebreid over de klachten van eiser heeft gerapporteerd. Voorts heeft de Raad, mede in aanmerking genomen dat eiser geen medische gegevens heeft overgelegd, geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en de conclusies van de geneeskundig adviseurs van verweerster. Op basis van deze bevindingen kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat bij eiser geen sprake is van zodanige beperkingen in zijn dagelijks functioneren dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet.

Tenslotte is de Raad met verweerster van oordeel dat het illegaal luisteren naar buitenlandse radio-uitzendingen en de ervaringen van eiser die hij in het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden voor de elektriciteitsmaatschappij na de soevereiniteitsoverdracht heeft meegemaakt omstandigheden zijn die bij de beoordeling in het kader van de Wet niet kunnen worden meegenomen.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Dit betekent dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

23.12