Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
02/5836 AW, 02/5838 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de aan betrokkene toegekende tegemoetkoming in de reiskosten terecht ongewijzigd gebleven nu hij na overplaatsing een groter aantal kilometers moet reizen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5836 AW en 02/5838 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van bestuur van het Landelijk Selectie- en Opleidingscentrum Politie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 september 2002, nrs. 01/169 AW en 01/710 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. A. Nijboer, werkzaam bij de politie vakorganisatie ACP. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van den Bergh en mr. E. Leuvelink, beiden werkzaam bij het Landelijk Selectie- en Opleidingscentrum Politie (hierna: LSOP).

II. MOTIVERING

1.1. Appellant is werkzaam in de functie van senior docent rijopleidingen bij het Politie Instituut Verkeer en Milieu. Voor het woon-werkverkeer maakt hij gebruik van een eigen motorvoertuig. Tot 1 mei 2000 was hij tewerkgesteld in Leusden. Ter zake van zijn reiskosten voor woon-werkverkeer is aan appellant ingevolge het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie (hierna: Bvvp) een tegemoetkoming toegekend ter hoogte van de maximale vergoeding voor het reizen met openbaar vervoer. Deze vergoeding heeft gedaagde vastgesteld op een bedrag van f 102,23 per maand.

1.2. Naar aanleiding van arbeidsonrust in Leusden heeft gedaagde (onder meer) aanleiding gezien om bij besluit van 26 april 2000 met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) appellant met ingang van 1 mei 2000 te werk te stellen in Rotterdam. De eerder toegekende tegemoetkoming in de reiskosten is ongewijzigd gebleven.

1.3. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van de verplaatsing van Leusden naar Rotterdam een grotere reisafstand aflegt. Zo is een enkele reis nu 66,7 kilometer in plaats van 35,7 kilometer. Ook heeft appellant naar voren gebracht dat hij meer reistijd kwijt is. Zo duurt een enkele reis nu met name vanwege files 75 minuten in plaats van 47 minuten. Dit alles betekent naar het oordeel van appellant dat hij bij handhaving van de in 1.1. genoemde tegemoetkoming in de reiskosten financieel nadeel lijdt. Op 19 januari 2001 heeft hij beroep ingesteld tegen de weigering een besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Bij het in dit geding bestreden besluit van 20 maart 2001 heeft gedaagde alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Bij dat besluit heeft gedaagde het besluit van 26 april 2000 gehandhaafd. Hieraan heeft gedaagde (uitgaande van de door appellant per eigen motorvoertuig gereisde route) ten grondslag gelegd dat de reisafstand van een enkele reis weliswaar 31 kilometer langer is geworden, maar dat de duur van een enkele reis slechts met 2 minuten is toegenomen. De reisduur valt derhalve binnen de door gedaagde gehanteerde norm dat ingeval de duur van een enkele reis ten hoogste één uur bedraagt, de op grond van het Bvvp maximaal mogelijke vergoeding voor het reizen met openbaar vervoer wordt toegekend.

1.5. Ook tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat in de toelichting op de wijziging van artikel 64 van het Barp (Stb. 1997, 216, waarbij een verplaatsing van onbeperkte duur als de onderhavige mogelijk werd gemaakt, is vermeld dat een verplichte functiewisseling niet mag leiden tot financieel nadeel voor de betrokken ambtenaar.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen de weigering een besluit op bezwaar te nemen gegrond verklaard en een bepaling gegeven over de vergoeding van proceskosten met betrekking tot deze weigering. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij oververwogen dat de door appellant aangehaalde passage in de toelichting ziet op de aan de verplaatsing verbonden directe financiële nadelen als salariëring of toelagen en niet op de extra reiskosten die de verplaatsing met zich brengt.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Appellant heeft de in 1.5. vermelde grief herhaald. Tevens heeft hij de stelling naar voren gebracht dat (een deel van) de toegenomen reistijd als werktijd moet worden aangemerkt.

4. De Raad overweegt dat appellant laatstbedoelde stelling pas ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht. Tot de zitting heeft appellant de met de verplaatsing gepaard gaande extra reistijd steeds uitsluitend bij wijze van ondersteuning van de door hem voorgestane verhoging van de reiskostenvergoeding aan de orde gesteld. De Raad acht het in strijd met een goede procesorde dat appellant de in 3. bedoelde stelling eerst ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht. Voordien was er voor gedaagde geen aanleiding zich over deze stelling uit te laten en gedaagde is door appellants handelwijze wezenlijk in zijn verdediging geschaad. De Raad gaat dan ook aan deze stelling voorbij.

5.1. Terzake van de door appellant bestreden tegemoetkoming in de reiskosten wijst de Raad op artikel 11 van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (hierna: Bvdp) waarin een bijzondere regeling is getroffen voor de vergoeding van reiskosten indien een ambtenaar ingevolge artikel 64 van het Barp is overgeplaatst. In artikel 11 van het Bvdp is bepaald dat aanspraak bestaat op een vergoeding volgens de bepalingen die bij of krachtens het Bvdp worden vastgesteld. Dit brengt mee dat de met toepassing van artikel 64 van het Barp verplaatste ambtenaar geen aanspraak heeft op een vergoeding van reiskosten woon-werkverkeer ingevolge het Bvvp.

5.2. Het standpunt van gedaagde dat appellant op dezelfde wijze moet worden behandeld als in Rotterdam werkzame niet verplaatste collega's met hetzelfde reispatroon, kan aan de dwingende betekenis van artikel 11 van het Bvdp niet afdoen.

5.3. In artikel 13 van de krachtens het Bvdp vastgestelde Reisregeling binnenland politie (hierna: Rbp) is bepaald dat een reiskostenvergoeding, bedoeld in artikel 11 van het Bvdp, wordt verleend volgens door het bevoegd gezag nader vast te stellen regels. De Raad stelt vast dat het bevoegd gezag de hierbedoelde regels niet heeft vastgesteld.

5.4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 juni 2003, nrs. 01/1169 AW en 01/1170 AW, heeft het ontbreken van deze nadere regels als gevolg dat artikel 13 van de Rbp in dergelijke gevallen zinledig is en dat de tekst van artikel 11 van het Bvdp (weer) bepalend is voor de aanspraak op vergoeding van de onderhavige reiskosten. Aan de stelling van gedaagde dat artikel 11 van het Bvdp uitsluitend van toepassing kan zijn in geval van een tijdelijke verplaatsing gaat de Raad voorbij, nu een onmiskenbare aanwijzing ontbreekt dat de regelgever ten onrechte heeft nagelaten artikel 11 van het Bvdp aan te passen toen artikel 64 van het Barp in 1997 in die zin werd gewijzigd dat ook een verplaatsing van onbeperkte duur als de onderhavige verplaatsing mogelijk werd gemaakt.

5.5. Waar de verwijzing naar krachtens het Bvdp vastgestelde bepalingen geen betekenis heeft en het Bvdp een specifieke regeling beoogt te geven voor vergoeding van deze reiskosten, moet de in artikel 11 van het Bvdp bedoelde aanspraak worden ontleend aan regels met betrekking tot vergoedingen wegens reiskosten die bij het Bvdp zelf zijn vastgesteld. In het onderhavige geval gaat het dan om artikel 4 of artikel 5 van het Bvdp.

5.6. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde tegemoetkoming in de reiskosten voor het woon-werkverkeer ten onrechte op het Bvvp is gebaseerd. Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven.

5.7. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Bij de beoordeling van de vraag of gedaagde daarbij aan artikel 4 (reizen per openbaar vervoer) dan wel artikel 5 (reizen per eigen motorvoertuig) van het Bvdp toepassing zal dienen geven, is onder meer van belang dat gedaagde er bij de verplaatsing van appellant naar Rotterdam van uitging dat appellant gebruik zou blijven maken van een eigen motorvoertuig omdat zijn woonadres slecht met het openbaar vervoer bereikbaar is en hij voorheen ook steeds op die wijze heeft gereisd. Voorts komt bij de nieuwe beslissing op bezwaar gewicht toe aan het feit dat een enkele reis per openbaar vervoer van Tricht naar Rotterdam aanzienlijk langer duurt dan de door gedaagde blijkens het bestreden besluit gehanteerde norm van hooguit één uur reistijd bij het gebruik van openbaar vervoer.

6. Nu appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven geen hogere reiskosten-vergoeding voor te staan dan een vergoeding ingevolge de in 5.5. vermelde voorschriften, heeft appellant geen belang meer bij behandeling van de in 1.5. vermelde grief.

7. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voorzover aangevochten.

8. De Raad ziet aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 644,- aan kosten van in beroep verleende rechtsbijstand, een bedrag van € 16,38 aan reiskosten in beroep, een bedrag van € 644,- aan kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand en een bedrag van € 9,08 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.313, 46.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard;

Vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2001;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2000 neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.313,46, te betalen door het LSOP;

Bepaalt dat het LSOP aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 274,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

01.03