Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
02/1092 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen publiekrechtelijke grondslag voor toekennen of weigeren uitkering. terugvorderingsbeslissing is dan ook geen besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Uitkeringsregeling 1966
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/134
JB 2004/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1092 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Directeur van de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 december 2001, nr. AWB 98/743 AW V02, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desverzocht heeft gedaagde stukken ingezonden en hebben partijen een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 januari 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is van 1 maart 1994 tot 1 januari 1995 werkzaam geweest bij het CAD Friesland, aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Instellingen voor Verslavingszorg (NVIVZ). De rechtsopvolger van deze vereniging is de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland (VGGZN).

1.2. In verband met de op 1 januari 1995 ingetreden werkloosheid is aan appellante door de NVIVZ een werkloosheidsuitkering toegekend met overeenkomstige toepassing van de Uitkeringsregeling 1966 (UKR). Appellante heeft deze uitkering met een onderbreking in 1995 ontvangen tot 1 januari 1997.

1.3. Bij beslissing van 17 december 1996 is de werkloosheidsuitkering met terugwerkende kracht tot 4 december 1995 beëindigd op de grond dat appellante recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.4. Bij brief van 17 februari 1997 is van appellante een bedrag van f 13.201,80 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling van werkloosheidsuitkering over de periode van december 1995 tot en met december 1996. Daarbij is vermeld dat tegen die beslissing bezwaar kan worden gemaakt. Naar aanleiding van het tegen deze beslissing gemaakte bezwaar is namens de Voorzitter (lees: de Directeur) van de VGGZN de terugvordering bij beslissing van 23 juni 1998 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing van 23 juni 1998 gegrond verklaard voorzover dat beroep betrekking heeft op de terugvordering over de periode van 4 december 1995 tot en met 31 december 1995, die beslissing in zoverre vernietigd, en bepalingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. Volgens de rechtbank had appellante over de periode van 4 december 1995 tot en met 31 december 1995 zelf geen bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangen, zodat over deze periode ten onrechte was teruggevorderd. Voor het overige kon de terugvorderingsbeslissing de toetsing van de rechtbank doorstaan.

3. Het hoger beroep van appellante beperkt zich tot het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van 23 juni 1998 in rechte stand kan houden voorzover deze betrekking heeft op de terugvordering van de werkloosheidsuitkering over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996. Gedaagde heeft zich erbij neergelegd dat over 1995 niet kan worden teruggevorderd. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

3.1. Zoals namens appellante ter zitting is bevestigd, was zij bij het CAD werkzaam op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. Aan deze arbeidsovereenkomst is een einde gekomen door het verstrijken van de tijd waarvoor zij was aangegaan. Ingevolge artikel 74, derde lid, van de hier toepasselijke CAO-Verslavingszorg (de CAO) is appellante met ingang van 1 januari 1995 een werkloosheidsuitkering toegekend naar de normen neergelegd in de UKR.

3.2. In antwoord op een vraag van de Raad met betrekking tot het karakter van de terugvorderingsbeslissing van 17 februari 1997 heeft gedaagde meegedeeld dat sprake is van een besluit, vanwege het feit dat het CAD Friesland een zogeheten B 3-lichaam is. Dit is een privaatrechtelijk lichaam dat op grond van artikel B 3 van de voormalige Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) was aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar is in de zin van de Abp-wet. Daaraan heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting toegevoegd dat, mede gelet op een algemene maatregel van bestuur die voorziet in het verstrekken van werkloosheidsuitkeringen aan werknemers van een zogeheten B 3-lichaam, de thans in geding zijnde terugvorderings-beslissing als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beschouwd.

3.3. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, zoals die bepaling ten tijde hier in geding en voorzover hier van belang luidde, kunnen ten aanzien van degene die ambtenaar is in de zin van de Abp-wet bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten laste van dat lichaam komende aanspraken bij werkloosheid. Aan deze bepaling is indertijd toepassing gegeven bij het, kennelijk door gedaagde bedoelde, toenmalige Besluit van 29 december 1986, Stb. 686, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (voor-schriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen van ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, hierna: het Besluit). Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit dient het orgaan, waaronder moet worden verstaan het bestuur van een B 3-lichaam, ten aanzien van de werknemer de voorschriften omtrent diens aanspraken bij werkloosheid, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 41 in acht te nemen. In deze laatste bepalingen is een stelsel neergelegd met betrekking tot het recht op uitkering bij werkloosheid. Op grond van het tweede lid van artikel 3 van het Besluit vinden deze voorschriften geen toepassing ten aanzien van de werknemer, op wie een regeling betreffende aanspraken op uitkering bij werkloosheid van het lichaam van toepassing is, voorzover die regeling hem geen mindere aanspraken te dier zake verleent dan de regeling overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 41 van het Besluit.

3.4. Voor het CAD Friesland waren de in artikel 3, tweede lid, van het Besluit bedoelde voorschriften neergelegd in artikel 74 van de CAO in verbinding met de bepalingen van de UKR. De Raad stelt vast dat deze voorschriften een werknemer als appellante geen mindere aanspraken verlenen dan die welke zij overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 41 van het Besluit zou hebben gehad, zodat de voorschriften van de artikelen 4 tot en met 41 van het Besluit, anders dan het geval was in 's Raads uitspraak van 14 oktober 1999, TAR 1999, 157 LJN AA5510, niet op appellante van toepassing waren. Dit betekent dat er in het onderhavige geval geen publiekrechtelijke maar alleen een privaatrechtelijke grondslag is aan te wijzen voor het toekennen of weigeren van de werkloosheidsuitkering aan appellante. Dit geldt eveneens voor de intrekking van die uitkering en de in verband daarmee gegeven beslissing tot terugvordering van naar het oordeel van gedaagde onverschuldigd betaalde uitkering.

3.5. De Raad is dan ook van oordeel dat de terugvorderingsbeslissing van 17 februari 1997 geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, zodat deze beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarvan uitgaande en in aanmerking genomen dat de directeur niet als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb kan worden beschouwd, omdat hij noch een orgaan is van een rechtspersoon die krachtens publiek-recht is ingesteld, noch een persoon of college is dat met enig openbaar gezag is bekleed betrof het hier, ook waar het betreft de beslissing van 23 juni 1998 tot terugvordering over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 een aangelegenheid voor de burgerlijke rechter. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd was een inhoudelijk oordeel uit te spreken over het onderdeel van de beslissing van 23 juni 1998, dat thans nog in geschil is. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en de rechtbank onbevoegd verklaren met betrekking tot het beroep tegen de terugvordering over de periode van

1 januari 1996 tot en met 31 december 1996.

3.6. Onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb, zal de Raad gedaagde veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, tot een bedrag van € 805,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart de rechtbank onbevoegd met betrekking tot het beroep tegen de beslissing van 23 juni 1998 tot terugvordering over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.