Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
01/3061 WW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende duidelijk dat het bezwaar zich richt tegen zowel de herziening en de terugvordering als de boeteoplegging.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3061 WW

01/3062 WW

03/1995 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 5 april 2001, nrs AWB 99/7163 WW 157 en AWB 99/9096 WW 157, tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft niet van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 28 januari 2004, waarbij namens appellant is verschenen mr. A.H. Rebel, medewerker van het Uwv. Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde was per 20 mei 1996 in het genot van een WW-uitkering. Per 8 september 1997 is deze uitkering geschorst en per 29 september 1997 beëindigd in verband met detentie van gedaagde. Deze detentie eindigde op 9 februari 1999.

Bij besluit van 5 oktober 1998 heeft appellant de WW-uitkering met terugwerkende kracht herzien en geheel ingetrokken over de periode van 19 mei 1997 tot en met 28 september 1997. Tevens is bij die gelegenheid vastgesteld dat de uitkering over die periode onverschuldigd is betaald aangezien gedaagde werkzaamheden heeft verricht zonder deze te vermelden op de daartoe bestemde werkbriefjes. Het in dat verband onverschuldigd betaalde bedrag van f. 4.196,31 (€ 1.904,20) wordt van gedaagde teruggevorderd.

Bij besluit van 9 december 1998 heeft appellant gedaagde een boete opgelegd van f. 900,- (€ 408,40) in verband met schending van de mededelingsverplichting aangezien gedaagde werkzaamheden heeft verricht zonder deze te vermelden op de werkbriefjes.

Op 11 januari 1998 heeft gedaagde een bezwaarschrift ingediend. Dat bezwaarschrift luidde, voor zover hier van belang, als volgt: "In een van uw laatste brieven, die van 9 december 98 beschuldigt u mij van het schenden van een van uw wetten, het mededelings verplichtings wet. Ik zouw volgens u in de periode van mei t/m september 1997, werkzaamheden en inkomen genoten, en deze niet aan u vermeld in de daarvoor bestemde werkbriefjes. U vraagt om een bedrag van $ 4.196,31 terug, en u overweegt ook om daarboven een bedrag van $ 900,00 als boete op te leggen. Tegen deze beslissing van u, teken ik deze bezwaar, omdat ik deze periode van mei t/m september 1997 geen werkgever had, die ik op een van uw werkbriefjes had moeten vermelden, en heb in deze periode ook geen inkomsten, behalve die van u, ontvangen!"

Appellant heeft dit bezwaarschrift opgevat als uitsluitend te zijn gericht tegen de boeteoplegging en heeft bij besluit van 21 juni 1999 (het bestreden besluit) de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het daartegen ingestelde beroep in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bezwaarschrift van 11 januari 1998 mede was gericht tegen de herzienings- en terugvorderingsbeslissing van 5 oktober 1998. Aangezien appellant had nagelaten op die bezwaren te beslissen heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts ten aanzien van de boeteoplegging overwogen dat deze onvoldoende was gemotiveerd en heeft om die reden het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij appellant veroordeeld in de kosten die gedaagde in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en deze kosten begroot op f. 2.130,-- (€ 966,55), zijnde 2 punten voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van zijn gemachtigde.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld zich te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de boeteoplegging. In dat verband is door appellant op 11 april 2003 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij aan gedaagde een boete van 198,-- is opgelegd. Appellant heeft zich echter niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de strekking van het bezwaarschrift van 11 januari 1999. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat het bezwaarschrift zich mede richtte tegen het besluit van 5 oktober 1998. Appellant voert daartoe onder meer aan dat gedaagde kopieën opgestuurd heeft gekregen van alle beslissingen. Vervolgens heeft gedaagde op 30 december 1998 telefonisch contact opgenomen en aangegeven dat hij bezwaar zou gaan aantekenen tegen de boeteoplegging. Appellant wijst er op dat gedaagde in het bezwaarschrift alleen spreekt over de beslissing van 9 december 1998 en de andere beslissingen die hij heeft ontvangen niet noemt. Volgens appellant noemt gedaagde in het bezwaarschrift slechts een van de beslissingen en heeft hij het niet over meerdere beslissingen. Uit de bewoordingen van het bezwaarschrift blijkt volgens appellant verder dat gedaagde bezwaar maakt tegen de beslissing om een boete op te leggen. Appellant wijst er verder op dat gedaagde zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de hoorzitting waar hij zijn bezwaren had kunnen verduidelijken, terwijl hij ook geen kopie van de beslissing bij zijn bezwaarschrift heeft meegestuurd. Ter zitting van de Raad heeft appellant het hoger beroep nog nader aangevuld en heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte de proceskostenveroordeling voor het indienen van het beroepschrift met 2 punten heeft gewaardeerd. Volgens appellant diende dat 1 punt te zijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift van 11 januari 1998 zich richtte tegen zowel de herziening en de terugvordering als tegen de boeteoplegging. Uit de bewoordingen blijkt dat gedaagde het niet eens was met zowel de terugvordering van f. 4.196,31 (€ 1.904,20) als met de boeteoplegging van f. 900,-- (€ 408,40) nu hij beide bedragen noemt. De Raad wijst er in dat verband op dat de besluiten van 5 oktober 1998 en 9 december 1998 beide stellen dat gedaagde werkzaamheden heeft verricht zonder deze te vermelden op de werkbriefjes. De stelling van gedaagde in zijn bezwaarschrift dat hij geen inkomsten en geen werkgever had, heeft derhalve betrekking op beide besluiten. Voorts wijst de Raad er op dat de hoogte van de boete direct is gerelateerd aan het benadelingsbedrag, in casu het bedrag van de terugvordering, zodat het in de rede ligt dat gedaagde ook de omvang daarvan bestreed. Dat hij daarbij slechts de datum van het boetebesluit van 9 december 1998 noemt doet daar niet aan af. Uit het feit dat gedaagde geen afschrift van het besluit van 5 oktober 1998 bij zijn bezwaarschrift gevoegd heeft, is al evenmin af te leiden dat het bezwaar zich daar niet tegen richtte nu immers uit 6:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat daartoe slechts een verplichting bestaat in het geval een beroepschrift wordt ingediend. Tenslotte is de Raad van oordeel dat uit het niet verschijnen van gedaagde ter hoorzitting in het onderhavige geval geen conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de strekking van diens bezwaarschrift.

De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 5 oktober 1998 eerst op 16 december 1998 aan gedaagde werd toegezonden, zodat moet worden geconcludeerd dat gedaagde met zijn bezwaarschrift van 11 januari 1999 tijdig bezwaar heeft gemaakt.

De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

Appellant heeft zich ter zitting van de Raad van 28 januari 2004 terecht gekeerd tegen de door de rechtbank vastgestelde proceskostenveroordeling. Nu de gemachtigde van appellant slechts één beroepschrift heeft ingediend kon daarvoor ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht slechts één punt voor worden toegekend. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad derhalve appellant veroordelen in de proceskosten van gedaagde en die kosten begroten op € 644,37 (f. 1.420,--). De Raad acht voor het overige geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant daarbij is veroordeeld in de proceskosten;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in eerste aanleg welke kosten worden begroot op € 644,37, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de rechtbank Amsterdam;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) M.D.F. de Moor

MvK08034