Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
03/811 en 03/812 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Is er sprake van een medisch-sociale indicatie voor vergoeding van de kosten van aanschaf en gebruik van mobiele telefoon?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/811 en 03/812 WUV

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[eiser] en [eiseres], wonende te [woonplaats], eiser en eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij besluiten van 30 december 2002, kenmerken CR 9867/ BJZ/2002/1038 en CR 9866/BJZ/2002/1037, heeft verweerster ten aanzien van resp. eiser en eiseres, hierna: eisers, uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eisers is tegen deze besluiten beroep ingesteld door W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, als gemachtigde. In een aanvullend beroepschrift heeft deze gemachtigde aangegeven waarom eisers zich niet met de bestreden besluiten kunnen verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 15 januari 2004. Aldaar zijn eisers, naar tevoren was bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

De Raad verwijst in dit verband naar zijn ten aanzien van eisers gegeven uitspraak van 14 december 2000, reg. nr. 97/9354 en 97/9357 WUV. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat verweerster op goede gronden aan eisers een vergoeding als bedoeld in artikel 20 van de Wet heeft geweigerd van de kosten van aanschaf van een mobiele telefoon, alsmede van de kosten van een Libertel-abonnement en van gesprekskosten, aangezien voor hen geen strikt medische indicatie als in dat artikel bedoeld valt aan te wijzen voor deze voorzieningen. De Raad heeft de in die gedingen bestreden besluiten evenwel vernietigd omdat zij een voldoende deugdelijke onderbouwing ontberen met betrekking tot de vraag of voor eisers voor deze voorzieningen een medisch-sociale wenselijkheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet aanwezig is, aangezien het aan die besluiten ten grondslag liggende medische advies uitsluitend op het bestaan van een medische noodzakelijkheid betrekking had.

Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerster uitvoering gegeven aan voornoemde uitspraak en wederom geweigerd aan eisers een tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van de door hen gevraagde voorzieningen. Verweerster heeft daarbij in navolging van haar geneeskundig adviseur het standpunt ingenomen dat in het geval van eisers geen medisch-sociale wenselijkheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet aanwezig is voor het hebben en gebruiken van een mobiele telefoon. Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerster aan eisers voorts ingaande 1 januari 2002 een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer, zulks onder intrekking ingaande genoemde datum van de aan eiser eerder verstrekte tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie gedurende twee weken voor een persoon en van de aan eiseres verleende tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, aangezien deze tegemoetkomingen niet samen kunnen gaan met de aan hen toegekende tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer en deze laatste tegemoetkoming voor zowel eiser als eiseres gunstiger is.

Eisers kunnen zich met de bestreden besluiten niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 21 van de Wet komt aan verweerster de bevoegdheid toe om aan vervolgden een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van tot verbetering van de hun levensomstandigheden strekkende voorzieningen die in verband staan met hun uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad de wijze waarop verweerster aan deze bevoegdheid heeft vormgegeven slechts met terughoudendheid kan toetsen.

Verweerster ziet de voorzieningen ter zake van aanschaf en gebruik van telefoon vallen binnen het kader van de voorzieningen die strekken tot het onderhouden van sociale contacten en heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de kosten van aanschaf en gebruik van een mobiele telefoon een ander beleid te formuleren dan door haar wordt toegepast ten aanzien van aanvragen die betrekking hebben op de kosten van aanschaf en gebruik van een traditionele telefoon. Voor toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf en gebruik van telefoon ziet verweerster alleen dan een medisch-sociale wenselijkheid aanwezig, indien sprake is van een met de causale aandoeningen samen-hangende verhoogde behoefte aan sociale contacten dan wel een in deze aandoeningen gelegen dreigende vereenzaming. In dit verband ziet verweerster voorts sedert 1998 een telefoon als een algemeen gebruikelijke voorziening, waarvan de kosten niet meer kunnen gelden als extra kosten in de zin van de Wet.

De Raad kan deze benadering van verweerster niet onjuist of onredelijk achten. In het geval van eisers heeft de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad vastgesteld dat zij in verband met hun met de vervolging samenhangende psychische klachten baat hebben bij contacten met bepaalde anderen. Verweerster acht in deze behoefte van zowel eiser als eiseres genoegzaam voorzien doordat in het verleden aan hen ingevolge de Wet diverse tot het onderhouden van sociale contacten (mede) strekkende voorzieningen zijn toegekend, zoals kosten van sociaal vervoer en extra vakantie, en voorts doordat ingaande 1 januari 2002 aan beiden een tegemoetkoming is toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer, waarvan verweerster het gebruik van telefoon deel ziet uitmaken.

De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen. Dit betekent dat verweersters weigering om aan eisers op grond van artikel 21 van de Wet een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van aanschaf en gebruik van mobiele telefoon de door de Raad aan te leggen marginale toetsing kan doorstaan.

Voor zover eisers hebben beoogd beroep in te stellen tegen de met toekenning van de tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer samenhangende intrekking van in het geval van eiser de eerder aan hem toegekende tegemoetkoming in vakantiekosten en in het geval van eiseres de eerder aan haar toegekende tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer, overweegt de Raad dat op dit punt geen voor beroep vatbare beslissing voorligt. De Raad zal de beroepschriften van eisers aan verweerster doorgeleiden ter behandeling als bezwaar gericht tegen deze intrekkingen.

Met betrekking tot het namens eisers gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet de Raad vaststellen dat verweerster door eerst bij besluiten van 30 december 2002 uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad van 14 december 2000, zonder dat uit de stukken of anderszins is gebleken van redenen die deze vertraging in de afdoening kunnen rechtvaardigen, de hier bedoelde redelijke termijn heeft overschreden. Deze overschrijding kan echter niet leiden tot het alsnog toekennen van een voorziening, waarop eisers, blijkens hetgeen hierboven is overwogen, op grond van de geldende regels geen aanspraak kunnen maken.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.01