Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/5347 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jaaropgave is geen besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5347 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 december 2000 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat ter zake van een in oktober 2000 met terugwerkende kracht over het tijdvak van 30 mei 1997 tot 1 november 2000 aan hem gedane betaling een terugvordering is ontstaan ten bedrage van f 7.798,91, als gevolg van het feit dat over die betaling te weinig loonheffing is ingehouden, en meegedeeld dat genoemd bedrag van hem wordt teruggevorderd.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 december 2000. Tevens heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een hem door gedaagde verstrekte jaaropgave over het jaar 2000 alsmede tegen een brief van 23 april 2001 waarin gedaagde, naar aanleiding van opmerkingen van appellant, die jaaropgave heeft toegelicht en getracht te verduidelijken.

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2000 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de jaaropgave alsmede tegen de brief van 23 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Dit laatste heeft gedaagde aldus toegelicht dat de jaaropgave en de inlichtingenbrief van 23 april 2001 geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) .

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 september 2002, reg.nr. AWB 01/2471 WAO, het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 30 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 25 november 2003, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, in navolging van de rechtbank, ervan uitgaat dat de terugvordering, zoals neergelegd in het primaire besluit van 18 december 2000, tussen partijen niet in geschil is. De in hoger beroep door appellant naar voren gebrachte bezwaren hebben (wederom) uitsluitend betrekking op de omstandigheid dat hij nog steeds niet beschikt over een juiste opgave van de hem door gedaagde over het jaar 2000 gedane betalingen. Appellant wijst erop dat dit voor hem met name consequenties heeft in de fiscale sfeer.

De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat het (niet) verstrekken van een (juiste) jaaropgave en de begeleidende brief van 23 april 2001 geen besluiten als bedoeld in de Awb zijn, in verband waarmee het hiertegen gerichte bezwaar van appellant door gedaagde terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad heeft geen aanknopingspunten om hierover anders te oordelen dan de rechtbank. Naar de Raad vaker als zijn opvatting heeft doen blijken - de Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 27 augustus 1996, gepubliceerd in

RSV 1997/19 - gaat het bij een jaaropgave zoals hier aan de orde om (het verstrekken van) informatie van feitelijke aard, waartegen geen voorziening op grond van de Awb openstaat. Ook voor de brief van 23 april 2001 geldt dat deze niet is gericht op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg, maar uitsluitend beoogt verduidelijking en toelichting te verschaffen op die jaaropgave. Nu het in de Awb voorziene rechtsmiddel van bezwaar uitsluitend kan worden aangewend tegen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van die wet en in het licht van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het bezwaar van appellant tegen zowel de jaaropgave als de brief van 23 april 2001 niet geacht kan worden op zodanige besluiten betrekking te hebben, heeft gedaagde dat bezwaar terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad wil overigens, strikt ten overvloede, niet nalaten om de, eveneens ten overvloede gegeven, overweging van de rechtbank te onderschrijven waarin gedaagde dringend in overweging wordt gegeven om, gegeven het door appellant niet ten onrechte benadrukte belang dat hij heeft bij een juiste opgave met het oog op zijn aangifte over het jaar 2000, appellant in dat opzicht tegemoet te komen. Uit het door gedaagde ingediende verweerschrift leidt de Raad af dat zulks tot op heden kennelijk nog (steeds) niet is gebeurd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.