Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/6529 AW, e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van rechercheurs om de feitelijke werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen (functieonderhoud). Functiebeschrijving en waardering.

Wetsverwijzingen
Besluit bezoldiging politie 6
Besluit proceskosten bestuursrecht 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6529 AW, 02/6537 AW, 02/6540 AW, 02/6564 AW, 02/6565 AW, 02/6568 AW, 02/6570 AW, 02/6572 AW, 02/6573 AW en 02/6575 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats],

[appellant 2], wonende te [woonplaats]

[appellant 3], wonende te [woonplaats],

[appellant 4], wonende te [woonplaats],

[appell[appellant 5], wonende te [woonplaats],

[appella[appellant 6], wonende te [woonplaats],

[appellant 7], wonende te [woonplaats],

[appellan[appellant 8], wonende te [woonplaats],

[appellant 9], wonende te [woonplaats],

[appel[appellant 10], wonende te [woonplaats],

appellanten,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 november 2002, nr. AWB 01/2675 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 januari 2004, waar appellanten [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 8], [appellant 9] en [appellant 10] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. W. Brussee, advocaat te 's-Gravenhage. De andere appellanten hebben zich door mr. Brussee voornoemd laten vertegenwoordigen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M. Smeele en mr. M. W. Kolkman, beiden werkzaam bij de politieregio Haaglanden.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) kan de ambtenaar, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de feitelijke werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen (functieonderhoud). Appellanten en anderen, sedert 1 april 1997 bureaurechercheur (functienummer 730, schaal 7) bij de politieregio Haaglanden, hebben in maart 1998 bij gedaagde aanvragen om functieonderhoud ingediend. Die aanvragen zijn bij besluiten van 20 september 1999 afgewezen.

1.2. De bezwaren tegen deze besluiten zijn bij besluit van 11 juni 2001 voor wat betreft [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 7], [appellant 9] en [appellant 10] gegrond verklaard en voor wat betreft de andere aanvragers ongegrond verklaard.

1.3. Gedaagde heeft bij besluiten van 22 juni 2001 beschrijvingen vastgesteld van drie zogenaamde mensfuncties (functienummers 1051, 1052 en 1053). Vergeleken met de organieke functie 730 bevatten deze functies één extra taak: functie 1051 mentor voor onervaren collega's, functie 1052 specialisatie/deskundigheid (taakaccent) op het terrein van computercriminaliteit of zeden, functie 1053 kennisinstructeur Genesys. Bij besluiten van 3 juli 2001 zijn de onderscheidene nieuwe functiebeschrijvingen van toepassing verklaard op [appellant 6], [appellant 7] en [appellant 10] (1051), [appellant 4] en [appellant 9] (1052), onderscheidenlijk [appellant 5] (1053).

1.4. Het besluit van 11 juni 2001 en de besluiten van 3 juli 2001 zijn, hangende de beroepen daartegen, vervangen door één, aan deze besluiten inhoudelijk gelijk, besluit van 18 september 2001 waarin per persoon is vermeld welk besluit in bezwaar is genomen. De besluiten van 11 juni 2001, 3 juli 2001 en 18 september 2001 worden, voorzover ze appellanten betreffen, hierna gezamenlijk als de bestreden besluiten aangeduid.

1.5. Bij de besluiten van 3 juli 2001 is tevens het voornemen kenbaar gemaakt de functies 1051, 1052 en 1053 op schaal 7 te waarderen. Namens de zes daarbij betrokken appellanten zijn daartegen bedenkingen ingebracht en is gedaagde verzocht pas besluiten inzake die waardering te nemen nadat de rechter zich over de functiebeschrijvingen heeft uitgesproken. Gedaagde heeft daarmee ingestemd.

2. Bij de aangevallen uitspraak zijn, met gegrondverklaring van de beroepen van de aanvragers de besluiten van 11 juni 2001 en 18 september 2001 vernietigd, omdat gedaagde bij het opnieuw beschrijven organieke functies had moeten beschrijven. Omdat de rechtbank betrokkenen door het beschrijven van mensfuncties niet benadeeld achtte en tevens gedaagdes standpunten inzake de gestelde afwijkende feitelijke werkzaamheden houdbaar oordeelde, heeft zij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand gelaten. Zij heeft voorts bepalingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

3. In hoger beroep wordt de aangevallen uitspraak aangevochten voorzover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gelaten. Appellanten stellen - kort gezegd - dat gedaagde onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd en onzorgvuldig tewerk is gegaan. Zij verzoeken gedaagde op te dragen zodanige nieuwe besluiten te nemen dat zij in de functie van senior bureaurechercheur (functienummer 728, schaal 8) worden geplaatst. De Raad overweegt als volgt.

Aanpassing organieke functie

4. Blijkens de nota van toelichting strekt artikel 6, zevende lid, van het Bbp ertoe dat, ingeval de feitelijk opgedragen functie gedurende langere tijd (circa 1 jaar) wezenlijk van de organieke functie afwijkt, het bevoegd gezag hetzij de organieke functie aanpast hetzij bepaalt dat aan de betrokken ambtenaar de van de organieke functie afwijkende werkzaamheden niet langer worden opgedragen.

4.1. Appellanten stellen dat zij met hun aanvragen niet hebben beoogd dat hun feitelijk opgedragen werkzaamheden zouden worden aangepast. Gedaagde heeft appellanten hierin gevolgd en ervoor gekozen, voorzover hij kon aanvaarden dat van langdurig wezenlijk afwijkende werkzaamheden sprake was, dit in een nieuwe functiebeschrijving tot uitdrukking te brengen en die op de betrokken aanvrager van toepassing te verklaren.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde daarbij gelet op de onder 4. uiteengezette strekking van artikel 6, zevende lid, van het Bbp ten onrechte van mensfuncties is uitgegaan. Namens gedaagde wordt betoogd dat het creëren van een nieuwe organieke functie niet opportuun was omdat dan ook alle - meer dan 200 - overige bij de politieregio Haaglanden werkzame bureaurechercheurs op die nieuwe functie geplaatst zouden moeten worden. De Raad stelt vast, dat wat hier ook van zij, artikel 6, zevende lid, van het Bbp beschrijvingen op basis van een mensfunctie niet toelaat.

4.3. Overigens had gedaagde deze strijd met het Bbp kunnen vermijden door de organieke functie van bureaurechercheur (functienummer 230) inderdaad ongewijzigd te laten en daarnaast een of meer nieuwe organieke functies in te stellen. Op die (onderscheidene) nieuwe organieke functie(s) zou gedaagde dan - al naar gelang de inhoud van de gedurende circa een jaar feitelijk opgedragen werkzaamheden - een of meer van de betrokken aanvragers hebben kunnen plaatsen.

In aanmerking te nemen referentieperiode

5. Het stelsel van artikel 6, zevende lid, van het Bbp, brengt mee dat gedaagde - voor ieder van de aanvragers afzonderlijk - diende na te gaan of de feitelijk opgedragen werkzaamheden op het moment van de aanvraag inderdaad reeds circa een jaar in de door de aanvrager aangegeven opzichten wezenlijk van de organieke functie afweken. Appellanten konden er aanspraak op maken dat die periode als referentieperiode zou worden genomen.

5.1. Bij de bestreden besluiten is evenwel het tijdvak 1 maart 1998 tot 1 mei 2001 als referentieperiode genomen en zijn bovendien de laatste twee jaren direct voorafgaande aan 15 mei 2001 doorslaggevend geacht. Nu aldus ten aanzien van alle appellanten de feitelijk opgedragen werkzaamheden van 1 april 1997 tot 1 maart 1998 buiten beschouwing zijn gelaten, zijn de bestreden besluiten in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven zorgvuldigheid tot stand gekomen en berusten ze op een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten ten onrechte in stand gelaten zodat de aangevallen uitspraak, voorzover door appellanten aangevochten, moet worden vernietigd.

5.2. Nu de rechtbank voorts niet met vernietiging van de besluiten van 11 juni 2001 en 18 september 2001 heeft kunnen volstaan, maar ook de besluiten van 3 juli 2001 had moeten vernietigen, zal de Raad die laatste besluiten alsnog vernietigen.

5.3. Gedaagde dient opnieuw op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 20 september 1999 te beslissen, met inachtneming van de - hiervoor en hierna opgenomen - overwegingen van 's Raads uitspraak.

5.4. Gedaagde zal daarbij eerst de feitelijk opgedragen werkzaamheden in een periode van circa een jaar voorafgaand aan de betrokken aanvraag moeten onderzoeken. Pas als hij de betrokken appellant met betrekking tot dat jaar niet of niet ten volle kan volgen, dient hij - gegeven zijn bij de bestreden besluiten gemaakte keuze inzake de referentie-periode - na te gaan of het in aanmerking nemen van een andere periode van circa een jaar in het tijdvak van 1 april 1997 tot 15 mei 2001 tot een voor betrokkene gunstiger oordeel leidt.

Overige geschilpunten

6. Met het oog op de nieuw te nemen besluiten zal de Raad ook op enige overige geschilpunten tussen partijen ingaan.

6.1. Appellanten stellen dat zij, nu bureauchefs en chefs BP1 (Bijzondere Ploeg 1) hebben verklaard dat er bij de toedeling van het werk geen verschil gemaakt werd tussen (ervaren) bureaurechercheurs en senior bureaurechercheurs, op de organieke functie van senior bureaurechercheur geplaatst moeten worden. De Raad acht gedaagde hiertoe op grond van artikel 6, zevende lid, van het Bbp, slechts gehouden als bij de nieuwe behandeling van de bezwaren aannemelijk wordt dat de feitelijk opgedragen werkzaamheden van betrokkene gedurende de in aanmerking te nemen referentieperiode met de organieke functie van senior bureaurechercheur overeenstemden. Dit geldt - mutatis mutandis - evenzeer met betrekking tot andere functies waarmee appellanten hun werkzaamheden vergelijken.

6.2. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat ook voor taakaccenten geldt, dat gedaagde op grond van artikel 6, zevende lid, van het Bbp alleen gehouden is deze in een organieke functiebeschrijving op te nemen als de betrokkene niet alleen met een taakaccent is belast, maar gedurende de referentieperiode de daarbij behorende werkzaamheden ook feitelijk heeft verricht.

6.3. Bij de bestreden besluiten is aanmerkelijke betekenis toegekend aan verklaringen die chefs BP1 en bureauchefs in 1999 en tijdens de op 2 en 13 februari 2001 gehouden zittingen van de Bezwarenadviescommissie hebben afgelegd. Die verklaringen konden wat betreft de vraag of mentorschap feitelijk was opgedragen, niet (zonder meer) aan de bestreden besluiten ten grondslag worden gelegd, nu de chefs BP1 en bureauchefs bij het afleggen van hun verklaringen nog niet op de hoogte waren van de elementen en de norm van 5% die voor het aannemen van mentorschap eerst - op basis van verklaringen van 1, 13 en 21 februari 2001 van de chef bureau Arbeidsvoorwaarden en de chef van het onderdeel Personeel, Organisatie en Opleiden - bij de bestreden besluiten bepalend zijn geacht.

6.4. Ter zitting is gebleken dat appellanten niet langer betwisten dat de deelname aan PBO's (projectteams bovenlokale opsporing) en RAG's (recherche assistentie groepen) in de organieke functie van bureaurechercheur adequaat beschreven zijn.

6.5. Appellanten houden staande dat in de referentieperiode hun feitelijk opgedragen werkzaamheden inzake zware criminelen en strafrechtelijk minderjarigen wezenlijk afweken van (de beschrijving van) hun organieke functie.

6.5.1. Appellanten wijzen erop dat volgens hun organieke functie hun taak onder andere het opsporen van strafrechtelijk meerderjarigen omvat, terwijl taken inzake strafrechtelijk minderjarigen in de beschrijving van de organieke functie van jeugdrechercheur zijn opgenomen.

6.5.2. Appellanten merken voorts op dat in de beschrijving van de organieke functie van senior bureaurechercheur als bezwarende werkomstandigheid onder meer psychische belasting bij het verhoren van zware criminelen en als niveaubepalend element onder meer volledige inzetbaarheid in een zwaar rechercheproject zijn vermeld. Beide vermeldingen ontbreken bij de bezwarende werkomstandigheden en de niveaubepalende elementen in de beschrijving van de organieke functie van bureaurechercheur. Appellanten achten dit onjuist nu zij evenzeer als senior bureaurechercheurs met opsporing en verhoor van zware criminelen zijn belast.

6.6. Bij de bestreden besluiten is erkend dat in de praktijk bij de verdeling van zaken tussen bureaurechercheurs en senior bureaurechercheurs tussen de soorten criminaliteit geen ander onderscheid wordt gemaakt dan dat naar de ervaring van betrokkenen wordt gekeken. Volgens die besluiten kan daarom inderdaad worden aangenomen dat de ervaren bureaurechercheur zware criminelen en strafrechtelijk minderjarigen hoort. Maar dit vormt volgens gedaagde geen wezenlijke afwijking van (de beschrijving van) de organieke functie van bureaurechercheur, nu de bureaurechercheur volgens die beschrijving inzetbaar is op het terrein van alle vormen van criminaliteit.

6.7. De Raad acht met dit betoog van gedaagde de stelling van appellanten dat de feitelijk opgedragen werkzaamheden terzake van strafrechtelijk minderjarigen en zware criminelen niet adequaat in de beschrijving van hun organieke functie zijn verwoord, niet weerlegd.

6.7.1. Het opsporen van strafrechtelijk minderjarigen vormt gelet op hetgeen door appellanten met juistheid is gesteld, een wezenlijke afwijking van (de beschrijving van) hun organieke functie.

6.7.2. Nu volgens de bestreden besluiten bij de toedeling van werk inzake zware criminaliteit tussen ervaren bureaurechercheurs en senior bureaurechercheurs geen verschil wordt gemaakt en ook de beschrijving van die taken onder het kopje (Projectmatige) criminaliteitsbestrijding in beide organieke functiebeschrijvingen vrijwel identiek is, eist consistent handelen dat onder meer de aanduiding van de uit die taken voortvloeiende bezwarende werkomstandigheden in beide organieke functiebe-schrijvingen evenmin verschilt. Dat is temeer geboden nu de functiebeschrijvingen met inbegrip van de bezwarende werkomstandigheden als grondslag voor de waardering van die functies dienen.

Slot

7. De Raad vindt aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten wegens de verlening van rechtsbijstand in hoger beroep, tot een bedrag van € 644,- per appellant (derhalve in totaal € 6.440,-), in aanmerking genomen dat de zaken geen samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Immers, de bestreden besluiten zijn wel op dezelfde algemene uitgangspunten gebaseerd, maar nu elk van de tien aanvragen - terecht - afzonderlijk beoordeeld is aan de hand van de aan betrokkene feitelijk opgedragen werkzaamheden, zijn de jegens de tien appellanten genomen besluiten niet nagenoeg identiek.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover door appellanten aangevochten en voorzover op hen betrekking hebbend;

Vernietigt de besluiten van 3 juli 2001;

Bepaalt dat gedaagde jegens iedere appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in 's Raads onderhavige uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- per appellant, te betalen door de politieregio Haaglanden;

Bepaalt dat de politieregio Haaglanden aan appellanten gezamenlijk het door hen in hoger beroep gezamenlijk betaalde griffierecht van in totaal € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

09.02

Q