Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/4620 AW, 02/4631 AW, 02/4629 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsgebrek. Functiewaardering. Afwijking van advies. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4620 AW, 02/4631 AW en 02/4629 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant[naam appellant 1], wonende te [woonplaats], [appella[naam appellant 2], wonende te [woonplaats], [appel[naam appellant 3], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juli 2002, nrs. AWB 02/8 t/m 02/19 AW I GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend en is desgevraagd een reactie ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 januari 2004, waar zijn verschenen appellant [naam appellant 1], bijgestaan door mr. N.I. van Os, werkzaam bij VBM/NOV, en appellanten [naam appellant 2] en [naam appellant 3], bijgestaan door mr. C.M. Galenkamp-Bolt, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Zalm en H.J.M. Kolthof, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellanten zijn als burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie en allen werkzaam als Senior Mechanic Tracks (hierna: SMT) bij NL Pomssite te Brunssum, een materieeldepot van het Amerikaanse leger. Bij besluiten van 22 mei 2000 is de waardering van hun organieke functie vastgesteld op hoofdgroep II, niveaugroep c, scoretotaal 29 punten, leidend tot indeling in schaal 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (BBAD). De bezwaren van appellanten tegen die besluiten zijn bij de in geding zijnde besluiten van 26 november 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van (onder meer) appellanten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten hun grief herhaald dat gedaagde niet onweer-legbaar juist en overtuigend heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het goed gemotiveerde advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF). Met die CABF zijn appellanten van mening dat aan hun functie op het kenmerk 4 'complexiteit van de aanpak' en kenmerk 10 'wijze van controle' 3 punten moeten worden toegekend in plaats van 2. Appellanten voeren volgens hun functiebeschrijving structureel zowel 3e als 4e echelon werkzaamheden uit. Voorts hebben appellanten vastgehouden aan hun standpunt dat zij de te repareren objecten volledig gebruiksklaar aan de Quality Control ter finale inspectie aanbieden en dat er van tussentijdse controle geen sprake is. Tot slot hebben appellanten een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben aangevoerd dat de Wapensysteemtechnicus EWS/TWS en de Specialist Rupsvoertuigen dezelfde werkzaamheden uitvoert, maar dat die functie in schaal 6 is ingedeeld.

4. De Raad overweegt vooraf en ambtshalve inzake de bevoegdheid tot het nemen van de bestreden besluiten het volgende.

4.1. De bestreden besluiten zijn genomen namens de Bevelhebber der Landstrijdkrachten. Namens gedaagde is desgevraagd bij brief van 16 oktober 2003 te kennen gegeven dat het bepalen van de salarisschaal op grond van artikel 26, eerste lid, van het BBAD, geschiedt door de Minister van Defensie en op grond van de taakverdeling tussen de Minister en de Staatssecretaris van Defensie, door laatstgenoemde. De bestreden besluiten zijn daarom ten onrechte genomen namens de Bevelhebber der Landstrijd-krachten. Na bestudering van het dossier en na afweging van belangen heeft gedaagde geconcludeerd dat de bestreden besluiten op goede gronden tot stand zijn gekomen en heeft hij deze voor zijn rekening genomen.

4.2. De Raad onderschrijft deze nadere conclusie van gedaagde, nu de aanwijzing van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten als bevoegde autoriteit om de salarisschaal vast te stellen, niet op rechtsgeldige wijze - te weten bij algemene maatregel van bestuur, zoals voorgeschreven in artikel 26, vierde lid, van het BBAD - was geschied en derhalve zonder effect is gebleven. De bestreden besluiten lijden derhalve aan een bevoegd-heidsgebrek en dienen om die reden te worden vernietigd. Nu gedaagde als bevoegde autoriteit deze besluiten voor zijn rekening heeft genomen zal de Raad uit een oogpunt van proceseconomie de gedingen thans materieel beslechten en bezien of de rechts-gevolgen van de bestreden besluiten al dan niet in stand dienen te worden gelaten.

5. De bij de bestreden besluiten gehandhaafde besluiten tot waardering van de functie van appellanten zijn genomen met toepassing van het Besluit normeringsstelsel FUWASYS 1997. In dit functiewaarderingssysteem wordt de zwaarte van een functie bepaald aan de hand van een normeringsstelsel. Dit normeringsstelsel bestaat uit een meetsysteem - 14 kenmerken, elk in 5 niveau's van oplopende zwaarte beschreven - met conversieformule en uit voorbeeldmateriaal. Bij het waarderen van een functie wordt voor elk van de kenmerken de score bepaald. Het daaruit resulterende scoreprofiel toont de zwaarte van de functie.

5.1. De Raad stelt evenals de rechtbank, en in afwijking van het standpunt van appellanten, voorop dat de rechterlijke toetsing in een geval als dit een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

5.2. Voorts volgt de Raad appellanten niet in hun stelling dat gedaagde in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het advies van de CABF is afgeweken. Van strijd met artikel 7:13, zevende lid, in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen sprake.

5.3. Inhoudelijk is tussen partijen onder meer in geschil de score op kenmerk 4 'complexiteit van de aanpak'. Blijkens de verantwoording van het waarderingsresultaat door de beheerder van het systeem, gaat het om de mate van creativiteit die nodig is bij de aanpak van de eigen werkzaamheden. Volgens het normeringssysteem wordt voor dit kenmerk 1 punt toegekend indien de aanpak van de werkzaamheden bekend is, 2 punten indien de aanpak van de werkzaamheden vereist het inspelen op bekende situaties, waarbij keuzes moeten worden gemaakt, en 3 punten indien de aanpak van de werk-zaamheden vereist het inspelen op nog niet eerder voorgekomen situaties, waarbij uit bekende oplossingen moet worden gekozen. Gekozen is voor toekenning van 2 punten, omdat er bij het aanpakken van de werkzaamheden geen ingewikkelde problemen voorkomen en kan worden teruggevallen op bekende situaties.

5.4. Het advies van de CABF om 3 punten voor dit kenmerk toe te kennen berust op het gegeven dat appellanten mede zijn belast met onderhoudswerkzaamheden van het 4e echelon, dat wil zeggen complexe reparaties, waarbij op onderdeelniveau zonodig wordt gereviseerd en waarbij het te repareren object door de SMT volledig gebruiksklaar gemaakt aan de Quality Control ter finale inspectie wordt aangeboden. De CAFB is van mening dat appellanten bij het uitvoeren van werkzaamheden van het 4e echelon, welke eerst na verkregen toestemming en met specifiek gereedschap worden uitgevoerd, worden geconfronteerd met problemen die zij nog niet eerder zijn tegengekomen. Voor de oplossing van die problemen kunnen appellante weliswaar terugvallen op hun vakkennis, maar er is inventiviteit nodig om die kennis te gebruiken, aldus de CABF.

5.5. Namens gedaagde is er op gewezen dat appellanten werkzaam zijn in een hiërarchische setting. Aan het hoofd van de sectie staat een Supervisor en voorts zijn er binnen de sectie een of twee Senior Technicians werkzaam. Indien er bij de NL Poms incidenteel 4e echelon onderhoudswerkzaamheden voorkomen, worden deze volgens gedaagde door een beperkt aantal personen uitgevoerd en aan de hand van de door de Amerikanen verstrekte Technical Manuals. Daarnaast heeft de Supervisor een duidelijk sturende en coördinerende rol. Het enkele feit dat appellanten soms geconfronteerd worden met een gebrek in een voertuig dat zij zelf nog niet eerder zijn tegengekomen, leidt volgens gedaagde nog niet tot een score 3. De oplossing van ieder probleem komt steeds neer op vervangen, repareren dan wel afregelen van een onderdeel. Daarbij kunnen zo nodig handboeken en handleidingen nageslagen worden. Voorzover er al sprake is van nieuwe problemen hoeven appellanten, gelet op de rol van de Supervisor en de betekenis van de Technical Manuals, daarbij geen keuzes te maken in ingewikkelde problemen. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde Kolthof ter toelichting daaraan nog toege-voegd dat appellanten bij de uitvoering van hun werkzaamheden strikt gebonden zijn aan de bestaande normen en richtlijnen. Eigen inventieve oplossingen zijn daarbij uit den boze, omdat de gerepareerde objecten door eenieder moeten kunnen worden gebruikt en bij een volgende onderhoudsbeurt of reparatie bij Pomssite in Brunssum of elders, door iedere Technician of Mechanic gediagnosticeerd, onderhouden of gerepareerd moeten kunnen worden.

5.6. De Raad stelt vast dat in de functieinformatieformulieren van appellanten ongeclausuleerd is vermeld dat appellanten herstellingen en modificaties dienen uit te voeren op 3e en 4e echelonsniveau. Om die reden gaat de Raad voorbij aan hetgeen gedaagde thans stelt met betrekking tot het voorkomen van 4e echelon werkzaamheden.

5.7. Niettemin is de Raad, gezien de gedingstukken en gehoord partijen ter zitting, niet tot de conclusie kunnen komen dat de toegekende score van 2 punten bij kenmerk 4 op onvoldoende gronden berust. De Raad overweegt dat appellanten blijkens hun functiebeschrijving volgens werkopdrachten herstellingen en modificaties tot en met het 4e echelonsniveau, dus ook de meer ingewikkelde reparaties, moeten uitvoeren. Zij voeren deze werkzaamheden uit binnen de organisatorische setting van de sectie Tracks & Armament, welke sectie onder leiding staat van de Supervisor Tracks & Armament. Uit de functiebeschrijving van de Supervisor blijkt dat tot diens hoofdtaken behoort: het regelen, coördineren en controleren van de werkzaamheden van de sectie, alsook het instrueren van de medewerkers inzake de bedoeling en toepassing van procedures en bij zich voordoende problemen. De Supervisor dient daarbij de prioriteiten aan te geven en de meer algemene en/of principiële problemen op te lossen. Dat appellanten vanwege hun eigen deskundigheid en ruime ervaring op het gebied van voertuigtechniek, hydrauliek/ pneumatiek, elektronica en elektrotechniek enerzijds en tijdgebrek van de Supervisor anderzijds, bij zich voordoende problemen feitelijk toch grotendeels op hun eigen kompas varen, is binnen het gekozen functiewaarderingssysteem niet van doorslag-gevende betekenis voor de waardering van hun organieke functie.

6. Op vergelijkbare gronden treffen ook de grieven tegen de waardering van kenmerk 10 'wijze van controle' geen doel. Via dit kenmerk wordt de mate van gedetailleerdheid van de controle/beoordeling van werkzaamheden door of namens het hogere echelon gewaardeerd. Daarbij worden 2 punten toegekend wanneer de werkzaamheden worden gecontroleerd op juistheid van de gevolgde aanpak en op naleving van regels en afspraken, en 3 punten wanneer slechts sprake is van een eindcontrole, d.w.z. een beoordeling van producten en werkresultaten op overeenstemming met gestelde normen, criteria of specificaties. Ook hier geldt dat de Supervisor blijkens zijn functieinformatie-formulier naast het geven van leiding als hoofdtaak heeft de coördinatie van de uitvoering, afstemming en voortgang van de produktiewerkzaamheden en dient toe te zien op de uitvoering en de kwaliteit van het geleverde product. Ook hier geldt dat wanneer in de praktijk niet in alle gevallen een tussentijdse controle plaatsvindt voordat het gerepareerde of gemodificeerde object naar de afdeling Quality Control gaat, de Supervisor niettemin eindverantwoordelijk is. Nu sprake is van waardering van organieke functies doet een in voorkomend geval achterwege blijven van tussentijdse controle niet af aan de juistheid van de toegekende score.

7. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De Raad sluit zich dienaan-gaande aan bij de vanwege gedaagde in zijn pleitnota ter zitting van de Raad gegeven uitleg dat en waarom de functie van appellanten op essentiële punten verschilt van de functie Specialist zware rupsvoertuigen of Wapensysteemtechnicus.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd omdat zij onbevoegd zijn genomen, evenals de aangevallen uitspraak waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten. De Raad zal evenwel op grond van hetgeen inhoudelijk omtrent die besluiten is overwogen de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand laten.

9. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen in de proces-kosten van appellanten in beroep en in hoger beroep, ten bedrage van € 1.288,- in verband met kosten van rechtsbijstand voor appellant [naam appellant 1], en € 1.288,- in verband met kosten van rechtsbijstand in de twee samenhangende zaken van de appellanten [naam appellant 2] en [naam appellant 3].

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen van appellanten gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten ten bedrage van twee maal

€ 1.288 ,- voor kosten van rechtskundige bijstand als hiervoor vermeld, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan ieder der appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

HD

30.01