Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
02/4038 AW + 02/4157 AW + 03/4928 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke beslissing genomen over de stelling dat het ontslag niet gegeven had mogen worden zonder dat aanspraak werd gegarandeerd op de aanvulling werkgever in het kader van de FPU Gemeenten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4038 AW

02/4157 AW

03/4928 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, tevens gedaagde (hierna: betrokkene),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde, tevens appellant (hierna: het college).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Partijen hebben op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juni 2002, nr. SBR 00/2440, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 27 januari 2003 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft zijn zienswijze op dit besluit gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 januari 2004, waar betrokkene in persoon is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.J. Visser, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Op grond van (thans) artikel 5:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht heeft de ambtenaar die op of na 1 januari 2000 ontslag is verleend met het oog op de FPU-regeling, en die geen gebruik maakt van een van de zogeheten seniorenmaatregelen, in het kader van de FPU Gemeenten recht op een zogenoemde aanvulling werkgever.

1.2. Betrokkene, geboren op 2 juni 1946, was als ambtenaar werkzaam bij de sector Openbaar Onderwijs van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht. In het kader van een privatisering zijn de activiteiten van deze sector en de medewerkers ervan overgegaan naar het Onderwijs Service Bureau te Arnhem (OSB). De rechtspositionele gevolgen van deze overgang zijn onder meer geregeld in een Sociaal Plan, dat tot stand is gekomen na onderhandelingen met de werknemersorganisaties. In dat plan, een algemeen verbindend voorschrift, is een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen op grond waarvan de medewerkers die geboren zijn voor 1 april 1945 hun aanspraken behouden op de aanvulling werkgever in het kader van de regeling FPU Gemeenten.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2000 heeft het college betrokkene met ingang van 1 juni 2000 eervol ontslag verleend onder toepassing van artikel 87, tweede lid, onder a, van het toenmalige Algemeen Ambtenarenreglement (AAR), op grond van welke bepaling aan een ambtenaar ontslag kan worden verleend wegens opheffing van de betrekking. Met ingang van de laatstgenoemde datum is tussen betrokkene en het OSB een arbeidsover-eenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Betrokkene heeft tegen het besluit van 11 mei 2000 bezwaar gemaakt omdat, voorzover thans nog van belang, hij geen aanspraak kan maken op een aanvulling werkgever op grond van de FPU Gemeenten.

Bij het bestreden besluit van 3 november 2000 is zijn bezwaar tegen het besluit van 11 mei 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit van 3 november 2000 vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft bepaald dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar aandacht dient te besteden aan het argument van betrokkene, dat ten gevolge van het wegvallen van een aanspraak ingevolge de regeling FPU Gemeenten zijn inkomensachteruitgang aanmerkelijk is. Het college zal moeten bezien of dit niet in strijd is met het algemeen uitgangspunt bij de overgang van het personeel dat het arbeidsvoorwaardenpakket in zijn totaliteit gelijkwaardig blijft en of derhalve het Sociaal Plan in zoverre verbindend is, dan wel of er reden is om op het punt van de overgangsregeling met betrekking tot de FPU Gemeenten het Sociaal Plan niet (onverkort) toe te passen.

3. Betrokkene is de opvatting toegedaan dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijke beslissing heeft genomen over zijn stelling dat het ontslag hem niet gegeven had mogen worden zonder dat hem de aanspraak wordt gegarandeerd op de aanvulling werkgever in het kader van de FPU Gemeenten.

4. Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in het individuele geval van betrokkene heeft willen toetsen of sprake is van een gelijkwaardig arbeidsvoorwaarden-pakket terwijl het door de rechtbank vermelde uitgangspunt van gelijkwaardigheid van arbeidsvoorwaardenpakketten voor en na de datum van privatisering ziet op in zijn totaliteit voor alle betrokken ambtenaren gelijkwaardige pakketten. Het kan niet de bedoeling zijn dat in ieder individueel geval wordt nagegaan of de inhoud van een Sociaal Plan exact aan de globale uitgangspunten voldoet.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

5.1. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad in de eerste plaats dat tussen partijen niet in geschil is en ook de Raad ervan uitgaat dat het college bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 87, tweede lid, onder a, van het AAR, omdat de functie die betrokkene vervulde was opgeheven. De vraag of het college op juiste wijze van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt dient voorts, ook gezien de stellingen van partijen, te worden beoordeeld aan de hand van het Sociaal Plan.

5.2. Het ontslagbesluit is niet in strijd met dit plan omdat betrokkene, die geboren is na 1 april 1945, niet op grond van de vermelde overgangsbepaling in aanmerking kon komen voor de aanvulling werkgever op grond van de regeling FPU Gemeenten.

5.3. Ter zitting heeft betrokkene desgevraagd verklaard op zichzelf het uit die bepaling voortvloeiende onderscheid tussen hen die voor die datum zijn geboren en hen die daarna geboren zijn, niet onrechtmatig te achten. Betrokkene ziet echter geen goede grond voor het college hem die aanspraak onder verwijzing naar het Sociaal Plan te onthouden gezien het financiële nadeel dat hij lijdt nu op hem in zijn huidige dienstverband op grond van de daarin geldende arbeidsvoorwaarden slechts de naar zijn oordeel veel minder gunstige Regeling bevordering arbeidsparticipatie onderwijspersoneel van toepassing is. Hij acht dit in strijd met het in acht te nemen uitgangspunt van de gelijkwaardigheid van arbeids-voorwaardenpaketten vóór en na de privatisering.

5.4. De Raad ziet in dit argument van betrokkene geen reden het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit onrechtmatig te achten. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat het Sociaal Plan het resultaat is van een afweging van belangen die tot gevolg heeft gehad dat het arbeidsvoorwaardenpakket voor privatisering grosso modo gelijkwaardig is aan dat van na de privatisering. Dat met betrekking tot de onderhavige privatisering arbeidsvoorwaarden op een bepaald aspect van dat pakket financieel niet volledig gelijkwaardig zijn voor een bepaalde ambtenaar of groep van ambtenaren, is het gevolg van bepaalde keuzen die bij het tot standkomen van het Sociaal Plan zijn gemaakt. De Raad neemt voorts in aanmerking dat het Sociaal Plan zelf geen voorschrift over de exacte gelijkwaardigheid met betrekking tot het hier aan de orde zijnde aspect bevat. Het gestelde financiële nadeel dat aldus door de toepassing van het Sociaal Plan op het onderhavige ontslag voor betrokkene zou ontstaan betekent voorts niet dat om die reden aan het Sociaal Plan naar inhoud of wijze van totstandkomen dermate ernstige feilen kleven dat dit plan niet aan het in geding zijnde ontslagbesluit ten grondslag mocht worden gelegd.

5.5. Het hoger beroep van betrokkene slaagt dan ook niet.

5.6. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat het hoger beroep van het college slaagt. Dit leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. Gezien het eerder overwogene komt de grondslag te ontvallen aan het besluit van 6 september 2002, dat de Raad op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding betrekt. Dat besluit moet worden vernietigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 27 januari 2003.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

16.02