Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
01/5673 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2001:AD3661
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aflossingscapaciteit. Is terecht het standpunt ingenomen dat het aan betrokkene onverschuldigd betaalde bedrag aan ziekengeld in de gemeenschap van goederen is gevallen en dat de desbetreffende vordering kan worden verhaald op het algehele gemeenschapsvermogen?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475c, geldigheid: 2004-02-04
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475e, geldigheid: 2004-02-04
Ziektewet 33a, geldigheid: 2004-02-04
Ziektewet 45g, geldigheid: 2004-02-04
Maatregelenbesluit Tica 1, geldigheid: 2004-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/125
RSV 2004, 139

Uitspraak

01/5673 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Leeuwarden op 18 september 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 98/876 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 oktober 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde - zoals aangekondigd - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan gedaagde is door appellant bij besluit van 26 maart 1998 met ingang van 15 juli 1997 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op laatstgenoemde datum ontving gedaagde reeds uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij het bovengenoemde besluit van 26 maart 1998 is meegedeeld dat de AAW/WAO-uitkeringen met ingang van 18 juli 1997 worden opgehoogd tot ƒ 73,91 per dag. Hierbij heeft appellant, onder verwijzing naar artikel 32 van de ZW, aangegeven dat het ziekengeld slechts kan worden uitbetaald voorzover het de opgehoogde AAW/WAO-uitkeringen overtreft en dat in verband hiermee met ingang van 18 juli 1997 geen ziekengeld wordt uitbetaald.

Bij een tweetal, rechtens onaantastbaar geworden, besluiten van 14 april 1998 heeft appellant van gedaagde onverschuldigd betaald ziekengeld teruggevorderd over het tijdvak 1 september 1997 tot en met 26 oktober 1997 tot bedragen van respectievelijk ƒ 1.528,40 en ƒ 1.567,20.

Vervolgens heeft appellant bij besluit van 27 mei 1998 bepaald dat het teruggevorderde bedrag aan ziekengeld van in totaal ƒ 3.095,60 per 1 juli 1998 voldaan dient te worden in termijnen van ƒ 397,79 per maand. Hierbij is toepassing gegeven aan het beleid van appellant neergelegd in het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering d.d. 6 juni 1996 (hierna: Besluit Tica). Appellant heeft de maximale aflossingscapaciteit vastgesteld op ƒ 795,58 per maand. Hierbij is het gezamenlijke netto-inkomen van gedaagde en zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, te weten ƒ 2.827,08 per maand, in aanmerking genomen en is de beslagvrije voet gesteld op ƒ 2.031,50, welk bedrag (mede) is afgeleid van 90% van de bijstandnorm voor gehuwden. Met toepassing van artikel 5, derde lid, van het Besluit Tica is het daadwerkelijk maandelijks af te lossen bedrag gesteld op 50% van ƒ 795,58, zijnde ƒ 397,79.

Tegen het besluit van 27 mei 1998 heeft gedaagde bezwaar gemaakt, hierbij het standpunt innemende dat hij in verband met zijn hoge vaste lasten niet meer dan ƒ 50,-- per maand kan aflossen. Bij besluit van 10 augustus 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van gedaagde in zoverre gegrond verklaard dat het maandelijks af te lossen bedrag is gesteld op ƒ 245,07. Deze verlaging houdt verband met het feit dat gedaagde alsnog rekening heeft gehouden met de nominale ziekenfondspremie en de premie van een aanvullende ziekenfondsverzekering alsmede met een kredietaflossing van ƒ 200,-- per maand. In verband met een en ander heeft appellant de beslagvrije voet gesteld op ƒ 2.336,95.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft dit besluit vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank, mede onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 475d, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), overwogen dat de echtgenote van gedaagde niet medeaansprakelijk is voor de onderhavige schuld en dat haar inkomsten daarom niet vatbaar zijn voor beslag. Wel volgt volgens de rechtbank uit artikel 475d, derde lid, Rv dat de beslagvrije voet van gedaagde voor ten hoogste de helft moet worden verminderd met het inkomen van gedaagdes echtgenote. Het is volgens de rechtbank evenwel in strijd met artikel 475d, derde lid, Rv om, zoals bij het bestreden besluit is geschied, bij de bepaling van de aflossingscapaciteit enerzijds de volledige beslagvrije voet te hanteren en anderzijds het volledige inkomen van de echtgenote van gedaagde in aanmerking te nemen. In verband hiermee heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 1, aanhef en onder k, van het Besluit Tica in strijd is met de artikelen 33a, tweede lid, en 45g, achtste lid, van de ZW juncto artikel 475d, derde lid, Rv en dat het daarom als onverbindend buiten toepassing dient te worden gelaten.

Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat het aan gedaagde onverschuldigd betaalde bedrag aan ziekengeld in de gemeenschap van goederen is gevallen en dat de desbetreffende vordering kan worden verhaald op het algehele gemeenschapsvermogen. Appellant acht daarom de wijze van berekenen van het aflossingsbedrag zoals neergelegd in artikel 1, aanhef en onder k, van het Besluit Tica niet in strijd met artikel 475d, derde lid, Rv.

Gedaagde heeft zich geschaard achter de overwegingen van de rechtbank en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 33a, eerste lid, van de ZW, in werking getreden op 1 augustus 1996, bepaalt dat een besluit tot terugvordering een executoriale titel oplevert in de zin van het Tweede Boek, Rv. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat artikel 45g van de ZW van overeenkomstige toepassing is. Artikel 45g, achtste lid, van de ZW bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dat artikel zodanig geschiedt dat de werknemer blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv.

Artikel 33b van de ZW, eveneens in werking getreden op 1 augustus 1996, bepaalt, zoals dit artikel tot 1 maart 1997 luidde, dat het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) regels stelt met betrekking tot de terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen 33 en 33a van de ZW. Het Tica heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven met het Besluit Tica. Krachtens de van toepassing zijnde overgangsbepalingen gold het Besluit Tica met ingang van 1 maart 1997 als een besluit van het Lisv en geldt het met ingang van

1 januari 2002 als een ministeriële regeling op grond van artikel 33b van de ZW.

In artikel 1, aanhef en onder k, van het Besluit Tica wordt bepaald dat in dat besluit onder aflossingscapaciteit wordt verstaan: "het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. Indien de schuldenaar is gehuwd, wordt het tot de gemeenschap behorende inkomen van de echtgenoot tot het inkomen gerekend. De beslagvrije voet wordt dan niet verminderd met het inkomen van de echtgenoot."

De Raad is van oordeel dat appellant de zogeheten aflossingscapaciteit van gedaagde op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Hij overweegt daartoe het volgende.

Uit artikel 45g, achtste lid, van de ZW volgt dat de verzekerde, bij de vaststelling van de aflossingstermijnen, dient te blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv. Zowel uit deze bepaling van de ZW als die van Rv vloeit voort dat de beslagvrije voet individueel, dat wil in dit geval zeggen betrekking hebbend op degene ten aanzien van wie het terugvorderingsbesluit is genomen, dient te worden bepaald. Artikel 475d, derde lid, Rv bepaalt voorts, kort gezegd, dat, voorzover het echtgenoten of geregistreerde partners betreft, de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft wordt verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen van de echtgenoot of partner. In dat verband wijst de Raad ook op de parlementaire geschiedenis van artikel 475d Rv, waaraan hij het volgende ontleent: "Beslag is slechts mogelijk tegen een schuldenaar. Of zijn partner mede aansprakelijk is voor zijn schulden, hangt niet af van de voorgestelde bepalingen. Die aansprakelijkheid kan er slechts zijn, wanneer de partner zich daartoe zelf verbonden heeft of wanneer het uit de wet volgt. Men denke aan huishoudelijke schulden van gehuwden en aan schulden die in een huwelijkse gemeenschap vallen. In dit wetsvoorstel wordt slechts rekening met een samenwonende partner gehouden bij het bepalen van de hoogte van de beslagvrije voet van de schuldenaar zelf. Is de schuldenaar gehuwd of woont hij samen, zodat hij niet voor individuele bijstand in aanmerking kan komen, maar zo nodig wel voor gezinsbijstand, dan bedraagt zijn beslagvrije voet 90% van de bijstandsnorm voor een echtpaar, indien de partner geen eigen inkomen heeft. Heeft de partner eigen inkomsten gelijk aan of hoger dan 45% van de bijstandsnorm voor een echtpaar, dan wordt de beslagvrije voet van de schuldenaar verminderd tot 45% van de bijstandsnorm van een echtpaar. Dit volgt uit de tweede zin van artikel 475d lid 1. De grondgedachte is enerzijds dat de beslagvrije voet individueel is, dus slechts 45% voor elk van beiden wier bijstandsnorm die van een echtpaar is, en anderzijds dat de partner die niet aansprakelijk is, ook niet hoeft te betalen" (TK 1988-1989, 17.897, nr. 10,

pag. 4-5).

Uit het vorenstaande vloeit voort dat artikel 1, aanhef en onder k, van het Besluit Tica, voorzover daarbij wordt bepaald dat in een situatie als thans voorligt het inkomen van de echtgenote als inkomen van de schuldenaar wordt aangemerkt en dat in dat geval de beslagvrije voet niet wordt verminderd met het inkomen van de echtgenoot, met genoemde wettelijke bepalingen in strijd is, zodat dit artikelonderdeel in zoverre buiten toepassing dient te blijven. Derhalve kan het bestreden besluit, waarbij toepassing is gegeven aan evenbedoeld artikelonderdeel, niet in rechte stand houden.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar zal dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Draagt appellant op om met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 348,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2004.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

Gw