Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
01/3139 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na het verstrijken van de beroepstermijn kan op de lijst van belanghebbenden geen wisseling meer plaatsvinden van de identiteit. Beginsel van goede procesorde; geen herstelmogelijkheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3139 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2001, nr. AW 00/1437-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. D. Christe, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich, zoals eerder aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellant is als ambtenaar werkzaam bij het gemeentelijk vervoerbedrijf RET (de RET). Bij brief van 23 april 1999 heeft gedaagde aan alle medewerkers van de RET, onder wie appellant, een rechtspositioneel besluit doen toekomen.

1.2. Hiertegen is onder meer namens een groep van 108 belanghebbenden, onder wie appellant, bezwaar gemaakt. Dit besluit is ten aanzien van een groot deel van de belanghebbenden, onder wie appellant, bij beslissing op bezwaar van

23 mei 2000, verzonden 26 mei 2000, met kenmerk AB199952607/RE, gehandhaafd. Met betrekking tot een kleine groep van belanghebbenden heeft gedaagde het bezwaar bij beslissing op bezwaar van eveneens 23 mei 2000, verzonden 26 mei 2000, met kenmerk AB199952636/RE, niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Tegen het besluit met kenmerk AB199952607/RE is bij brief van 4 juli 2000 beroep ingesteld namens 19 belang- hebbenden zoals deze op de bij het beroepschrift bijgevoegde lijst staan vermeld. Boven deze lijst is eveneens het kenmerk AB199952607/RE vermeld. Bij brief van 17 juli 2000 heeft de gemachtigde van appellant, ter vervanging van de eerder ingediende lijst, een lijst met namen van 108 belanghebbenden, onder wie appellant, ingezonden. Bij brief van 27 juli 2000 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

2. Het beroep is bij de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij uitsluitend geoordeeld over het beroep van 19 appellanten als vermeld op de bijlage die is meegezonden met het beroepschrift en geconstateerd dat het belang van deze personen niet rechtstreeks betrokken was bij het door hen aangevochten besluit. De lijst met namen van 108 belanghebbenden is door de rechtbank niet in het geding betrokken omdat deze ruim na het verstrijken van de beroepstermijn was ingezonden en er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van verschoonbare termijn- overschrijding. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat na ommekomst van de beroepstermijn voor de rechtbank en voor gedaagde de identiteit van appellanten dient vast te staan.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2 van de door de rechtbank gehanteerde Procesregeling bestuursrecht in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn verzuim te herstellen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De gemachtigde van appellant heeft niet betwist dat in het beroepschrift van 4 juli 2000 en in de daarbij gevoegde lijst met namen niet de naam van appellant was vermeld. De nieuwe lijst met namen van 108 belanghebbenden, waaronder de naam van appellant, is eerst na het verstrijken van de beroepstermijn aan de rechtbank toegezonden.

4.2. Het stelsel van de Awb, gezien in samenhang met het beginsel van een goede procesorde, brengt met zich dat na het verstrijken van de beroepstermijn geen wisseling meer kan plaatsvinden van de identiteit van appellant. Daar kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld rechtsopvolging en kennelijke verschrijvingen, van worden afgeweken. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een kennelijke verschrijving. Het gaat hier immers niet om een fout die er niet aan afdoet dat de identiteit van appellant tijdig duidelijk is geworden, maar om een fout waardoor de identiteit van appellant in het geheel niet bekend was bij het verstrijken van de beroepstermijn. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden als hier bedoeld.

4.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat er sprake is van een gebrek dat door middel van toepassing van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. Zowel het beroepschrift als de daarbij gevoegde, door de gemachtigde vervaardigde, lijst van appellanten vermeldt hetzelfde kenmerk als de bijgevoegde beslissing op bezwaar, die aan de gemachtigde van de belanghebbenden was gericht en waarop de naam van appellant evenmin voorkomt. De rechtbank had, na indiening van het beroepschrift en de daarbij behorende lijst van appellanten, geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van die ingediende lijst. De rechtbank had derhalve geen reden om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen in dit opzicht een verzuim te herstellen. De Raad is dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, zodat de daar bedoelde herstelmogelijkheid niet van toepassing is op de situatie die zich hier voordoet. Dat betekent dat hier ook geen toepassing hoefde te worden gegeven aan artikel 2 van de Procesregeling bestuursrecht.

4.4. Nu de identiteit van appellant eerst bekend is geworden bij brief van 17 juli 2000 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van een beroepschrift. De Raad is evenmin als de rechtbank gebleken van bijzondere omstandigheden die een verschoningsgrond in de zin van artikel 6:11 van de Awb opleveren.

5. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten, worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.

Q