Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
01/1461 AW + 01/1463 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte?

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1461 AW en 01/1463 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 februari 2001, nrs. 00/544 en 00/908, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brieven van 11 april 2001, 19 juni 2001, 25 juni 2001, 27 september 2001, 8 november 2001, 8 november 2002, 14 maart 2003, 15 april 2003, 22 april 2003 (met bijlagen), 22 augustus 2003, 5 september 2003 en 30 december 2003 zijn standpunt nader uiteengezet en toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 januari 2004, waar appellant niet is verschenen. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. R.J. van Wely, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, systeemcontroleur bij de dienst IVOP Informatievoorziening heeft op 20 maart 1998 zijn werkzaamheden wegens ziekte gestaakt. In verband daarmee is hij met ingang van 19 maart 1999 door het Landelijk instituut sociale verzekeringen in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 28 maart 2000 heeft gedaagde appellant, gezien het functieongeschikt-heidsadvies van de USZO van 6 maart 2000, eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, welk besluit bij het bestreden besluit van 1 september 2000 is gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep van appellant voorzover dit was gericht tegen het besluit van gedaagde van 1 september 2000, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de Raad zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank over het besluit van 1 september 2000.

3.1. De Raad merkt allereerst op geen aanleiding te zien om, zoals appellant in zijn schrijven van 30 december 2003 aan de Raad heeft verzocht, de behandeling van het hoger beroep aan te houden, nu de Raad over voldoende stukken beschikt om tot een definitief oordeel te komen.

3.2. De Raad beantwoordt de onder 3. opgeworpen vraag bevestigend. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt hij het volgende.

3.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat een verder vooronderzoek naar feiten en omstandigheden noodzakelijk is, omdat gedaagde appellant ten onrechte en met opzet in de WAO zou hebben gewerkt om hem te kunnen ontslaan. De juistheid van appellants vele beweringen en beschuldigingen aan het adres van gedaagde, de keuringsartsen van de USZO en de verzekeringsartsen van de AMG wordt door gedaagde ten stelligste ontkend en appellant heeft voor zijn beweringen ook geen bewijs aangedragen. Voorts is de oorzaak van het ziekteverzuim niet direct relevant voor de beantwoording van de vraag of aan de vereisten voor ontslagverlening op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR is voldaan.

3.4. Vaststaat dat appellant zich op 20 maart 1998 heeft ziekgemeld in verband met klachten van oververmoeidheid, welke klachten door appellant zelf in een brief van 28 april 1999 zijn aangeduid als klachten die op een burn out duiden. Vaststaat voorts dat appellant vanwege zijn klachten na die datum gedurende een ononderbroken periode van twee jaar ongeschikt is gebleven om zijn functie uit te oefenen. In die periode is aan appellant een WAO-uitkering toegekend naar volledige arbeidsongeschiktheid, welke ook na herbeoordeling bij besluit van 6 maart 2000 ongewijzigd is gehandhaafd, voorshands tot 19 maart 2004.

3.5. Eveneens staat vast dat de adviserend verzekeringsarts van de USZO bij brief van 6 maart 2000 een zogenoemd functieongeschiktheidsadvies heeft afgegeven, waarin de verzekeringsarts heeft uitgesproken dat appellant op de voorgenomen ontslagdatum - 20 maart 2000 - en 6 maanden daarna - 20 september 2000 - de functie van systeem-controleur naar redelijkerwijs te verwachten is, niet kan uitoefenen. Dat de verzekerings-artsen en de keuringsartsen een andere benaming aan appellants ziektebeeld hebben gegeven, te weten een paranoïde psychose of een paranoïde beeld, welke diagnose naar de mening van appellant is gesteld door een arts die daartoe niet gekwalificeerd is, en met welke diagnose hij het volstrekt oneens is, is voor de beoordeling van het bestreden besluit niet doorslaggevend, nu vaststaat dat er sprake was van ziekte en het geschil over de juistheid van de gestelde diagnose aan de duur van het ziekteverzuim en de gegeven prognose - die inmiddels is bewaarheid - niet afdoet.

3.6. Aangezien de Raad gedaagde eveneens kan volgen in het standpunt dat appellant die volledig arbeidsongeschikt is, voorafgaand aan de ontslagdatum vanwege zijn gezond-heidstoestand in het geheel niet tot arbeidsverrichting in staat was, zodat herplaatsings-onderzoek bij voorbaat zinloos zou zijn, was gedaagde ook zonder het voorgeschreven herplaatsingsonderzoek, bevoegd om tot ontslagverlening op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van het ARAR over te gaan.

3.7. Al hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat gedaagde niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.

4. Nu het hoger beroep van appellant niet slaagt en het ontslag in stand blijft wijst de Raad ook het verzoek om schadevergoeding af.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

02.02