Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
01/3371 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hetgeen naar voren is gebracht bestaat voor de Raad geen aanleiding om de gedifferentieerde premie voor de WAO als "criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM aan te merken.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/97

Uitspraak

01/3371 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], statutair gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 april 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van

24 november 1999, waarbij de door haar verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2000 is vastgesteld op 1,07%.

De rechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 14 mei 2001 het namens appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Metaalunie te Nieuwegein, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) en brieven van 16 januari 2002, 1 augustus 2002, 6 juni 2003 en 10 november 2003 aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend, bij schrijven van 24 januari 2002 gereageerd op de brief van

16 januari 2002 en desgevraagd bij schrijven van 28 oktober 2003, met bijlage, nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 november 2003, waar appellante zich deed vertegenwoordigen door mr. Van Dongen, voornoemd, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Het bestreden besluit betreft de vaststelling van de door appellante in het jaar 2000 verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO. Hierbij is mede bepalend geweest de aan (ex-)werknemers van appellante met ingang van 28 januari 1993, 13 juni 1994, respectievelijk 9 december 1998 toegekende uitkeringen krachtens deze wet.

Artikel 87e van de WAO, voorzover te dezen van belang, bepaalt dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, van de WAO, bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsonge- schiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Tegen de toekenning aan haar (ex-)werknemer van een WAO-uitkering na 1 januari 1998 heeft appellante (afzonderlijk) beroep ingesteld, dat door de rechtbank Zutphen bij uitspraak van 26 augustus 2002 ongegrond is verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend. De door appellante aangevoerde gronden stuiten, voor zover het betreft die na 1 januari 1998 toegekende uitkering, af op het bepaalde in artikel 87e van de WAO.

Het beroep op het willekeurverbod heeft de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen. Daarbij tekent de Raad aan dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel in deze, anders dan appellante heeft gedaan, niet kan worden volstaan met de stelling dat de uitvoering van de WAO te wensen overlaat. Als die stelling al als juist zou moeten worden aanvaard, dan nog volgt daaruit geenszins dat appellante daardoor (middellijk) een andere behandeling ten deel is gevallen dan andere (groepen van) premie- plichtige werkgevers.

Het door appellante in hoger beroep veronderstelde verband tussen het opleggen van een malus en de hoogte van de gedifferentieerde premie mist, naar gedaagde terecht heeft betoogd, feitelijke grondslag.

In hetgeen namens appellante naar voren is gebracht ziet, evenals in zijn uitspraak van 5 juni 2003 in de zaak onder nummer 01/499, gepubliceerd op de website van de Raad onder LJN-nummer AI1360, de Raad geen aanleiding om de gedifferen- tieerde premie voor de WAO als "criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM aan te merken.

De gedifferentieerde premie voor de WAO kan naar het oordeel van de Raad evenals de malus op grond van artikel 59i van de toenmalige Algemene Arbeidsongeschiktheidswet worden gekarakteriseerd als een bijdrage van de werkgever in de kosten van de voortdurende arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. De premiedifferentiatie heeft als doel de werkgevers te activeren tot en aan te spreken op preventie van arbeidsongeschikt-heid en reïntegratie van arbeidsongeschikt geworden werknemers. Daarbij geldt als uit-gangspunt dat de kosten worden gelegd waar zij het beste beheerst en beïnvloed kunnen worden. Inspanningen worden beloond door een lagere premie. Voorts wordt middels de minimum- en maximumpremie rekening gehouden met het risicoprofiel van kleine werkgevers.

De Raad is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de heffing van de gedifferentieerde premie voor de WAO niet gesproken kan worden van een "overtreding" van enige norm, die een punitief karakter zou hebben. De mede op basis van de uitkeringslasten van zijn (ex-)werknemers vastgestelde gedifferentieerde premie voor de werkgever kan evenmin geduid worden als een sanctie.

Dat de gedifferentieerde premie voor de WAO niet kan worden aangemerkt als "criminal charge" betekent evenwel niet dat de rechtsgang van de werkgever niet behoeft te voldoen aan de elementaire eisen die uit artikel 6 van het EVRM voortvloeien, waaronder het recht op hoor en wederhoor, de "equality of arms" en toetsing van "the merits of the matter", die alle bijdragen tot een eerlijk proces.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 juli 2001 onder registratienummer 00/3816 WAO, gepubliceerd in USZ 01/199 en RSV 01/205, stelt de Raad vast dat premieheffing in het kader van de werknemersverzekeringswetten dient te worden beschouwd als een "determination of a civil obligation", hetgeen met zich brengt dat de rechtsgang met betrekking tot een besluit tot premieheffing moet voldoen aan de elementaire eisen die voortvloeien uit artikel 6 van het EVRM, waaronder het recht op hoor en wederhoor, "equality of arms" en toetsing van "the merits of the matter". De aan (ex-)werknemers van appellante vóór 1 januari 1998 toegekende uitkeringen zijn mede bepalend voor de door appellante in het jaar 2000 verschuldigde gedifferentieerde premie. Gelet hierop behoort deze uitkering dan ook tot de "merits of the matter". Tegen het vóór 1 januari 1998 bekend gemaakte toekenningsbesluit kon appellante destijds geen bezwaar en beroep instellen. Derhalve betekent onverkorte toepassing van artikel 87e van de WAO ook in een geval als het onderhavige dat de "merits of the matter" in zoverre niet kunnen worden getoetst, hetgeen in strijd moet worden geacht met artikel 6 van het EVRM.

De Raad voegt hieraan toe dat artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO, waarin is bepaald dat, indien blijkt dat een uitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, dat gevolgen heeft voor het premiejaar waarin de toegekende uitkering wordt ingetrokken of herzien, er niet toe kan leiden dat premiebesluiten als de onderwerpelijke niet onrechtmatig bevonden kunnen worden op de grond dat de uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte is toegekend. Bij de wet Pemba is door het laten vervallen van artikel 2a van de WAO uitsluitend voor werkgevers de mogelijkheid geboden om op te komen tegen besluiten van na 1 januari 1998 tot toekenning of herziening van uitkeringen krachtens de WAO en daarbij is geen voorziening voor werkgevers getroffen om alsnog in rechte op te kunnen komen tegen zodanige besluiten van voor 1 januari 1998, voorzover die besluiten bepalend zijn voor de verschuldigde gedifferentieerde premie in de jaren 1998 tot en met 2004. Artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO kan dan ook uitsluitend betrekking hebben op besluiten tot toekenning of herziening van uitkeringen van na 1 januari 1998, waartegen een werkgever met succes is opgekomen.

Het vorenstaande brengt mee dat, indien een werkgever in het kader van een door hem aanhangig gemaakt geschil ter zake van een premiebesluit de daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaromtrent laatstelijk voor 1 januari 1998 een besluit is afgegeven, aanvecht, artikel 87e van de WAO buiten toepassing dient te blijven, en dat, als vervolgens moet worden geoordeeld dat bedoelde grief van de werkgever slaagt, aan de in bedoeld premiebesluit vervatte vaststelling van de (gedifferentieerde) premie geheel of ten dele de grondslag is komen te ontvallen. Hieraan doet niet af de enkele omstandigheid dat appellante niet is opgekomen tegen de vaststelling van de gedifferentieerde premie over 1998 en 1999, ook al werd de hoogte van die premies evenzeer (mede) bepaald door de vóór 1 januari 1998 toegekende WAO-uitkeringen die voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie over 2000 mede bepalend zijn.

Appellante heeft zodoende terecht aangevoerd dat in de procedure in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van artikel 6 van het EVRM. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vloeit weliswaar voort dat een dergelijke schending in hoger beroep hersteld kan worden, doch de Raad is gelet op de aard van de procedure en ter voorkoming van overbodige procedures in hoger beroep, van oordeel dat met inachtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten in twee rechterlijke instanties geprocedeerd moet kunnen worden over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad acht zodoende termen aanwezig het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

De Raad brengt in herinnering zijn uitspraken van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 01/197, 01/199, RSV 01/205 en 01/232 waarin hij tot uitdrukking heeft gebracht dat aan de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende elementaire eis van "equality of arms" wordt voldaan, indien -de artikelen 88 tot en met 88i van de WAO in zoverre buiten toepassing latend- in de procedures in beroep en hoger beroep door de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt bepaald dat inzage dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen en dat deze gemachtigde(n), voor zover het de medische gegevens betreft, in de plaats van de werkgever treedt (treden). Daarbij onderkent de Raad dat de werkgever aldus niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar de Raad is van oordeel dat diens gemachtigde in staat moet worden geacht om, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen. Het nog resterende verschil in behandeling brengt de werkgever naar het oordeel van de Raad in ieder geval niet in een wezenlijker nadeliger positie ("a substantial disadvantage vis-a-vis his opponent") ten opzichte van de overige aan het geding deelnemende partijen, als is bedoeld in de rechtspraak van het EHRM (vergelijk de arresten Dombo Beheer B.V. vs Nederland, NJ 94, 534 en Anker vs Zwitserland, NJ 88, 344).

De Raad wijst tenslotte nog op zijn uitspraak van 14 oktober 2003 in de zaak onder nummer 02/6136, gepubliceerd op de website van de Raad onder LJN-nummer AN7978, waarin de Raad, mede gelet op het feit dat artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht opzettelijke schending van een uit hoofde van onder andere een beroep dan wel een wettelijk voorschrift te bewaren geheim met straf bedreigt, geen aanleiding heeft gezien om de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb te beperken tot personen die aan tuchtrecht zijn onderworpen en voorts van zijn oordeel heeft doen blijken dat niet is gebleken van enige deugdelijke grond om de in die zaak optredende gemachtigde, sociaal-juridisch medewerker in dienst van het Bureau Metaalunie, geen bijzondere toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

Nu de rechtbank zich omtrent het hiervoor weergegeven inhoudelijke aspect van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden - te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. De proceskosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaken terug naar de rechtbank Zutphen;

Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van € 306,30 (voorheen:

f 1.675,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.