Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/5393 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een bericht inzake studieschulden met vermelding van de verschuldigdheid van bijgetelde rente is, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, (deels) op rechtsgevolg gericht.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 34a
Wet op de studiefinanciering 35
Wet op de studiefinanciering 36
Wet studiefinanciering 2000 6
Wet studiefinanciering 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5393 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bericht van 6 november 2000 heeft gedaagde beslissingen bekendgemaakt inzake de geregistreerde studieschuld van appellant.

Het bezwaarschrift dat appellant hiertegen heeft ingediend is door gedaagde bij besluit van 6 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 september 2002, nr. Awb 01/496, het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bezwaarschrift van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft bij beroepschrift van 4 november 2002 hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak. De gronden van dit hoger beroep heeft hij aangevoerd bij schrijven van 8 december 2002.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 19 december 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 januari 2004. Aldaar is appellant in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door

drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Appellant heeft zowel voorafgaande aan 1 januari 1992 als daarna op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF) studiefinanciering ontvangen in de vorm van een lening dan wel in de vorm van een tempobeurs die later is omgezet in een lening. Op de studieschulden die appellant hierdoor heeft opgebouwd zijn ingevolge onder meer het diverse keren gewijzigde artikel 36 van de WSF verschillende renteregimes van toepassing.

Bij bericht van 6 juni 2000 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat de als LEN1-schuld aangeduide studieschuld die appellant - behoudens verschenen rente - heeft opgebouwd voor 1 januari 1992, per 1 juni 2000 ¦ 6.040,04 bedroeg en dat appellant op deze schuld met ingang van 1 juli 2000 maandelijks ¦ 100,- moet aflossen.

Hierop heeft appellant zijn LEN1-schuld met twee betalingen volledig voldaan.

Vervolgens heeft gedaagde aan appellant bij bericht van 6 november 2000 medegedeeld dat hij tijdens zijn studie na 1 januari 1992 een als LEN2-schuld aangeduide studieschuld heeft opgebouwd die op 1 november 2000 ¦ 11.337,18 bedroeg, dat over de periode van

1 januari 1998 tot 1 januari 2000 berekende rente bij de LEN2-schuld is opgeteld en dat appellant vanaf 1 november 2000 maandelijks ¦ 100,- af moet lossen op zijn LEN2-schuld.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het door appellant tegen het bericht van 6 november 2000 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bericht van 6 november 2000, voor zover de betrokken studieschuld eerder bindend is vastgesteld en voor zover genoemd bericht betrekking heeft op het over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 berekenen van rente, geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven roept en om die reden in zoverre niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Derhalve had gedaagde het bezwaarschrift van appellant naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaarschrift van appellant alsnog volledig niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft zich met het oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen en heeft in hoger beroep zijn reeds in bezwaar en beroep naar voren gebrachte standpunt herhaald dat - zakelijk weergegeven - de LEN2-schuld geheel of gedeeltelijk had moeten komen te vervallen en de bijtelling van rente geheel of gedeeltelijk achterwege had moeten blijven, omdat hij voorafgaande aan het bericht van 6 november 2000 bijna vier jaar lang geen bericht van gedaagde heeft ontvangen betreffende zijn LEN2-schuld en gedaagde het bepaalde in artikel 34a van de WSF heeft geschonden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een kopie overgelegd van de uitspraak van het College van beroep studiefinanciering van 19 november 1998 in de beroepszaak met het nummer WSF 10032498.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst is de Raad met de rechtbank, en onder overneming van de door die rechter in de aangevallen uitspraak daartoe gebezigde gronden, van oordeel dat het door appellant tegen het bericht van 6 november 2000 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is voor zover dit zich richt tegen de omvang van de hoofdsom van de LEN2-schuld van appellant en de verschuldigdheid van bijgetelde bedragen aan rente die eerder bindend is vastgesteld, aangezien het bericht van 6 november 2000 in zoverre niet meer inhoudt dan een herhaling van eerdere besluiten en dus in zoverre niet is gericht op rechtsgevolg. Met het in rechte onaantastbaar worden van bedoelde aan partijen bekende eerdere besluiten staat de verschuldigdheid van de in die besluiten genoemde bedragen vast.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant tegen de bijtelling van rente waarvan de verschuldigdheid voor het eerst bij het bericht van

6 november 2000 is vastgesteld, overweegt de Raad dat de studieschuld van appellant door deze vaststelling is verhoogd, hetgeen meebrengt dat het bericht van 6 november 2000 in zoverre wel degelijk is gericht op rechtsgevolg. Het bezwaar van appellant tegen de bijtelling van rente is derhalve naar het oordeel van de Raad bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ten onrechte alsnog volledig niet-ontvankelijk verklaard.

Het voorgaande betekent dat de Raad de aangevallen uitspraak gedeeltelijk moet vernietigen.

Vervolgens ligt in dit geding uitsluitend nog de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit, voor zover daarbij het ontvankelijke gedeelte van het bezwaar van appellant tegen de bijtelling van rente ongegrond is verklaard, ook inhoudelijk stand kan houden.

De Raad beantwoordt voormelde rechtsvraag bevestigend. Daartoe overweegt de Raad dat appellant niet heeft gesteld dat gedaagde op zijn situatie toegespitste concrete toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot het achterwege laten van bijtelling van rente en dat evenmin is gebleken van (andere) dusdanig ernstige schendingen van de algemene rechtsbeginselen die bekend staan als het rechtszekerheids- en het zorgvuldig-heidsbeginsel dat in verband daarmee een uitzondering had moeten worden gemaakt op het zwaarwegende beginsel dat de wet dient te worden uitgevoerd. De omstandigheid dat de berichtgeving van gedaagde aan appellant betreffende diens LEN2-schuld gedurende bijna vier jaar is uitgebleven en duidelijker had kunnen zijn, en het feit dat gedaagde heeft verzuimd om aan appellant een schuldoverzicht toe te zenden als bedoeld in het (per 1 september 2000 vervallen) artikel 34a van de WSF, kan er op zichzelf niet toe leiden dat het bestreden besluit - dat voor zover thans aan de orde in overeenstemming is met de in artikel 36, eerste lid, van de WSF imperatief voorgeschreven renteberekening - niet in rechte houdbaar is te achten. Met betrekking tot het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak in de beroepszaak met het nummer WSF 10032498 merkt de Raad nog op dat appellant niet heeft gesteld dat hij, evenals de eiseres in die beroepszaak, in verwarring is gebracht door de ontvangst van berichten waarop ten onrechte niet is vermeld dat er rente werd berekend, zodat niet kan worden aangenomen dat appellant ten aanzien van de wijze waarop hij zijn studieschulden aflost onvoordelige keuzes heeft gemaakt die voor rekening van gedaagde dienen te blijven. Naar het oordeel van de Raad had appellant ten tijde van belang redelijkerwijs kunnen weten dat hij naast een LEN1-schuld een LEN2-schuld had, te meer omdat het om een allesbehalve verwaarloosbaar klein bedrag gaat, en dat dit impliceerde dat er over de betrokken periode rente zou worden bijgeteld. Indien appellant precies had willen weten welk renteregime op zijn LEN2-schuld van toepassing was, had hij daaromtrent bij gedaagde inlichtingen in kunnen winnen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden voor zover daarbij het ontvankelijke gedeelte van het bezwaar van appellant tegen de bijtelling van rente ongegrond is verklaard.

De Raad acht, bij afwezigheid van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenver-oordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op het bezwaar van appellant tegen het in het bericht van 6 november 2000 neergelegde besluit tot vaststelling van de verschuldigdheid van rente, en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond voor zover dit betrekking heeft op voormeld gedeelte van het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

MH