Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
03/878 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximale omvang omzetting prestatiebeurs in gift bij het behalen van een diploma voor een 2-jarige opleiding.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 17g
Wet studiefinanciering 2000 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/878 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 mei 2002 (Bericht prestatiebeurs no. 2), medegedeeld bij een op 23 juni 2002 gedagtekend schrijven, heeft gedaagde geweigerd om de aan appellante over oktober 2000 tot en met augustus 2001 op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: de WSF 2000) toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift.

Het bezwaar dat appellante hiertegen heeft ingediend, is door gedaagde bij besluit van 26 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2003, nr. 02/806 WSFBSF K1, het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft op bij beroepschrift van 17 februari 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 2 april 2003, ingediend.

Vervolgens heeft appellante bij brief van 19 april 2003 haar standpunt nader onderbouwd en toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 januari 2004. Aldaar is appellante niet verschenen. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

De Raad merkt allereerst op dat de rechtbank, ofschoon de toepasselijke wettelijke voorschriften daarin niet voorzien, zitting heeft gehouden buiten haar arrondissement. De Raad ziet evenwel aanleiding om daar, met analogische toepassing van artikel 28 van de Beroepswet, geen gevolgen aan te verbinden.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad verder met het volgende.

Bij besluit van 3 oktober 1998 is aan appellante met ingang van 1 oktober 1998 een prestatiebeurs toegekend voor een 4-jarige opleiding bedrijfseconomie aan de Fontys Hogeschool te Eindhoven.

Bij wijzigingsformulier van 23 juli 1999 heeft appellante aan gedaagde meegedeeld dat zij haar opleiding aan de Fontys Hogeschool staakt en dat zij begint met een 2-jarige opleiding toeristisch management aan de Hogeschool Schoevers te Eindhoven.

Hierop heeft gedaagde bij besluit van 7 augustus 1999 met ingang van 1 september 1999 een prestatiebeurs aan appellante toegekend voor genoemde opleiding toeristisch management.

Bij besluit van 9 januari 2000 (Bericht prestatiebeurs no. 1), medegedeeld bij een schrijven gedagtekend 8 februari 2000, heeft gedaagde de over oktober 1998 tot en met september 1999 aan appellante toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift onder aantekening dat de berekende rente inmiddels is kwijtgescholden.

Appellante heeft gedaagde bij schrijven van 10 maart 2002 verzocht om ook de over oktober 1999 tot en met augustus 2001 aan haar toegekende prestatiebeurs om te zetten in een gift. Daarbij is door appellante een kopie overgelegd van het door haar aan de Hogeschool Schoevers behaalde diploma toeristisch management.

Vervolgens heeft gedaagde bij voormeld Bericht prestatiebeurs no. 2 de over oktober 1999 tot en met september 2000 aan appellante toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift, terwijl is geweigerd om tot omzetting over te gaan van de over oktober 2000 tot en met augustus 2001 aan appellante toegekende prestatiebeurs. Het bezwaar dat appellante heeft ingediend tegen de gedeeltelijke weigering om haar verzoek van 10 maart 2002 te honoreren is door gedaagde bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat omzetting van een prestatiebeurs in een gift ingevolge artikel 5.6, eerste lid, van de WSF 2000 (thans artikel 5.8, eerste lid, van de WSF 2000) slechts kan plaatsvinden over het aantal maanden dat gelijk is aan de vastgestelde cursusduur van de laatst gevolgde opleiding en dat deze in het onderhavige geval 24 maanden bedraagt.

In hoger beroep heeft appellante zich in hoofdzaak op het standpunt gesteld dat zij, gelet op de gebrekkige informatieverstrekking door gedaagde, erop heeft mogen vertrouwen dat de aan haar toegekende prestatiebeurs volledig zou worden omgezet in een gift indien zij voldoende studieresultaten zou hebben geboekt.

De Raad overweegt het volgende. Niet is gebleken dat gedaagde aan appellante op haar situatie toegespitste concrete toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de maximale omvang van de omzetting van de aan haar toegekende prestatiebeurs in een gift. Evenmin is gebleken van andere dusdanig ernstige schendingen van de algemene rechtsbeginselen die bekend staan als het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel dat in verband daarmee een uitzondering had moeten worden gemaakt op het zwaarwegende beginsel dat de wet dient te worden uitgevoerd. De omstandigheid dat de berichtgeving van gedaagde aan appellante aan duidelijkheid te wensen heeft overgelaten en voor wat betreft de aanvankelijk geregistreerde duur van de door appellante laatstelijk gevolgde opleiding evenmin feilloos was, terwijl appellante wèl heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplicht, kan er op zichzelf niet toe leiden dat het bestreden besluit, dat in overeenstemming is met de toepasselijke dwingendrechtelijke wettelijke regeling, niet in rechte houdbaar is te achten.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en

mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

MH