Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
02/3811 AW, 02/4880 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsingsbesluit wordt overhandigd ná beeindiging van dienstverband. Bestuursorgaan is niet bevoegd tot het handhaven van het primaire besluit in bezwaar. Uitlokken van onnodige procedure. Geen verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaar tegen ontslagbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3811 AW en 02/4880 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 31 mei 2002, nrs. 01/1800 en 02/159, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 8 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.H.M. van Oosterhout, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Bouwman, werkzaam bij de politieregio Brabant-Noord.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was per 1 februari 2000 aangesteld als agent met een proeftijd van een jaar. In november 2000 is tegen hem een disciplinair onderzoek gestart. Hij was tevens verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. In verband hiermee is appellant in december 2000 met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en is hem het voornemen tot schorsing in het belang van de dienst meegedeeld.

1.2. Bij besluit van 19 januari 2001 is appellant geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp), waarbij gedaagde heeft bepaald dat de schorsing ingaat op het moment waarop appellant kennis neemt van dit besluit en in elk geval duurt tot 1 februari 2001. Appellant heeft dit besluit ontvangen op 24 maart 2001. Na gemaakt bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 december 2001. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak met nummer 02/159 AW ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 24 januari 2001 is appellant met ingang van 1 februari 2001 eervol ontslag verleend op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp, omdat hij tegen het eind van de proeftijd niet bleek te voldoen aan de eisen van geschiktheid die voor de dienst worden gesteld. Het tegen dit besluit op 19 maart 2001 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van

7 augustus 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank heeft dit laatste besluit bij de aangevallen uitspraak nr. 01/1800 AW in stand gelaten.

2. de schorsing

2.1. Het op 19 januari 2001 genomen schorsingsbesluit kon aanvankelijk niet aan appellant worden uitgereikt omdat zijn verblijfadres niet bekend was bij gedaagde. Nadat gedaagde op de hoogte was gekomen van een adres van appellant is deze het schorsingsbesluit alsnog toegezonden. Appellant heeft op 24 maart 2001 voor ontvangst getekend. Op 24 maart 2001 was evenwel het dienstverband met appellant reeds beëindigd, zodat het schorsingsbesluit op dat moment, naar namens gedaagde is erkend, zinledig was. De Raad is bovendien van oordeel dat gedaagde op het tijdstip van toezending niet meer bevoegd was de uitgesproken schorsing in werking te laten treden, nu appellant op dat moment niet meer als ambtenaar bij de politieregio in dienst was. Dat de schorsing was ingegeven door tijdens het dienstverband voorgevallen omstandigheden doet daar niet aan af. Gedaagde had dan ook het primaire besluit in bezwaar niet mogen handhaven. Door dat wel te doen heeft hij niet alleen een besluit genomen waartoe hij niet meer bevoegd was, maar heeft hij tevens onnodig de onderhavige procedure uitgelokt.

2.2. De aangevallen uitspraak met nr. 02/159 AW dient gelet op het voorgaande te worden vernietigd. De Raad zal het tegen het besluit van 19 december 2001 gerichte beroep gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en - zelf voorziend - ook het primaire besluit van 19 januari 2001 vernietigen.

3. het ontslag

3.1. Vast staat dat appellant niet binnen de daarvoor geldende termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit hem te ontslaan. Hij heeft in hoger beroep, net als in eerste aanleg, naar voren gebracht dat hij in de betrokken periode van slag was als gevolg van persoonlijke problemen. De Raad acht deze redengeving onvoldoende om tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding te kunnen concluderen en sluit zich volledig aan bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen. Evenals de rechtbank acht de Raad doorslaggevend dat appellant wel in staat is gebleken adequaat op te treden tegen een rechtspositioneel besluit van medio december 2000 en voorts dat hij zich na zijn ziekmelding begin december van dat jaar na één week weer hersteld heeft gemeld. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak met het nummer 01/1800 AW dient te worden bevestigd.

4. Hetgeen de Raad in 2.2. heeft overwogen leidt ertoe dat gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met nr. 02/159 AW;

Verklaart het tegen het besluit van 19 december 2001 gerichte beroep gegrond en vernietigt dat besluit;

Vernietigt het besluit van 19 januari 2001;

Bevestigt de aangevallen uitspraak met nr. 01/1800 AW;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de politieregio Brabant-Noord;

Bepaalt dat genoemde politieregio aan appellant het door deze in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 274,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) I.D. Veldman.