Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
01/3131 AW, 01/3133 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake geweest van abnormale of excessieve werkomstandigheden die aanleiding geven tot doorbetaling volle bezoldiging; geen onderzoek gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden bij ontslag wegens ziekte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3131 AW en 01/3133 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van Bestuur van de Wageningen Universiteit, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op de daartoe bij (aanvullende) beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 mei 2001, nr. 99/1207 AW (hierna: uitspraak 1) en een uitspraak van eveneens 1 mei 2001 van die rechtbank, nr. 00/1013 AW (hierna: uitspraak 2), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nog nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 27 november 2003, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Namens gedaagde zijn ter zitting verschenen mr. B. van Bon, advocaat te Utrecht, en H.O. Gorter, werkzaam bij Wageningen Universiteit.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij de Landbouwuniversiteit Wageningen, thans geheten Wageningen Universiteit, laatstelijk in de functie van onderzoeksassistent. Op 2 juni 1997 is appellant uitgevallen met psychische klachten. Nadien heeft appellant niet meer gewerkt. Bij besluit van 20 november 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn bezoldiging met ingang van 1 januari 1999 met toepassing van artikel 4, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA), met 20% wordt gekort. Bij het bestreden besluit van 3 juni 1999 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de bezwaren van appellant gericht tegen het besluit van 20 november 1998 ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 20 augustus 1999 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 september 1999 onder toepassing van artikel 12.6, vijfde lid, aanhef en onder f, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) eervol ontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 20 april 2000 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de bezwaren van appellant gericht tegen het besluit van 20 augustus 1999 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij uitspraak 2 het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

Het kortingsbesluit

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het BZA behoudt de betrokkene die geheel verlof geniet wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid gedurende de kalendermaand waarin zijn verhindering is ontstaan en vervolgens gedurende een termijn van 18 maanden zijn volle bezoldiging en daarna 80% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn dienstverband. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het BZA geniet de betrokkene, indien de ziekte of arbeidsongeschiktheid, uit hoofde waarvan de betrokkene vorenbedoeld verlof geniet, naar het oordeel van het bevoegd gezag in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moest worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, ook na de in artikel 4, eerste lid, bedoelde termijn van

18 maanden zijn volle bezoldiging.

2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 28 maart 2002, TAR 2003, 35) geldt voor de toepassing van een regeling als de onderhavige in een geval waarbij de ziekte van psychische aard is als eis dat niet alleen sprake moet zijn van een oorzakelijk verband tussen de (psychische) ziekte en de werkzaamheden of de omstandigheden waaronder deze dienden te worden verricht, maar dat tevens en allereerst dient vast te staan dat die werkzaamheden of die omstandigheden een abnormaal en excessief karakter hadden. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter adstructie van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.

2.3. Namens appellant is aangevoerd dat de werkomstandigheden objectief gezien een dusdanig abnormaal en excessief karakter hadden, dat ongeacht de persoon van de functievervuller, redelijkerwijs verwacht moest worden dat door de vervulling van de functie psychische arbeidsongeschiktheid zou ontstaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant aangevoerd dat sprake was van, fysiek gezien, erbarmelijke werkomstandigheden, dat plagiaat werd gepleegd, dat hij werd gemanipuleerd en dat hij respectloos werd behandeld.

2.4. De Raad overweegt als volgt.

2.4.1. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of de werkomstandigheden van appellant een abnormaal en excessief karakter hadden als bedoeld in 2.2.

2.4.2. In uitspraak 1 heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat elementen in de werkomstandigheden een rol hebben gespeeld in het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, maar dat het te ver voert om aan te nemen dat de door appellant genoemde omstandigheden dermate buitensporig van aard waren dat daarmee de onvermijdelijkheid van het ontstaan van psychische arbeidsongeschiktheid bij de vervuller van de functie als het ware een gegeven was.

2.4.3. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad wijst er daarbij op dat uit de zich onder de gedingstukken bevindende verklaringen van ex-collega's van appellant, die onder vergelijkbare - door de arbeidsinspectie weliswaar onvoldoende en onveilig bevonden - omstandigheden hun werkzaamheden (hebben moeten) verrichten, geenszins blijkt dat deze collega's ook psychische klachten hebben gekregen.

2.4.4. Ten aanzien van appellants stellingen inzake plagiaat, manipulatie en respectloze bejegening door medewerkers van gedaagde overweegt de Raad dat zich in elke werkomgeving voor een betrokkene minder prettige en frustrerende situaties kunnen voordoen, maar dat dit, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, niet als een abnormale of excessieve werkomstandigheid kan worden aangemerkt. Uit hetgeen appellant terzake heeft aangevoerd heeft de Raad niet de conclusie kunnen trekken dat in de werksituatie van appellant van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld sprake was.

2.5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn werkzaamheden onder abnormale en excessieve omstandigheden heeft moeten verrichten. Gelet daarop kon appellant geen aanspraak maken op doorbetaling van zijn volle bezoldiging tot het einde van zijn dienstverband. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

Het ongeschiktheidsontslag

3.1. Ingevolge artikel 12.6, vijfde lid, aanhef en onder f, en zesde lid, van de CAO NU kan de werknemer eervol worden ontslagen bij blijvende ongeschiktheid, wegens ziekten of gebreken voor de vervulling van zijn functie, vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 20 van de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten (ZANU).

3.2. De ZANU is de opvolger van het BZA, doch eerst in werking getreden op 17 december 1999. Nu het ontslag per

1 september 1999 is verleend, was evenwel - artikel 20 van - het BZA van toepassing op een ontslag als het onderhavige. Appellant is door de omstandigheid dat aan besluit 2 derhalve ten onrechte de ZANU ten grondslag is gelegd, evenwel niet benadeeld omdat artikel 20 van de ZANU dezelfde voorschriften bevat als artikel 20 van het BZA. Derhalve ziet de Raad geen aanleiding aan deze tekortkoming gevolgen te verbinden.

Ingevolge artikel 20, het tweede lid, van het BZA is een ontslag als het onderhavige mogelijk mits:

a. de blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar heeft geduurd en;

b. herstel binnen een periode van 6 maanden na deze 2 jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en;

c. er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn.

Het zesde lid van artikel 20 van het BZA bepaalt dat ter beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vereist is dat het bevoegd gezag door middel van een zorgvuldig onderzoek kan aantonen dat er voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn.

3.3. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het BZA neergelegde vereisten voor ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte. Voorts staat tussen partijen vast dat geen herplaatsingsonderzoek als bedoeld in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van het BZA heeft plaatsgevonden.

3.4. Partijen twisten over de vraag of gedaagde op goede gronden heeft kunnen besluiten een dergelijk herplaatsings- onderzoek achterwege te laten. Appellant stelt zich bovendien op het standpunt dat de werkomstandigheden zodanig excessief waren dat gedaagde reeds om die reden niet bevoegd was hem te ontslaan.

3.5. De Raad overweegt als volgt.

3.5.1. Gelet op de hiervoor onder 3.2. weergegeven criteria waaraan moet zijn voldaan alvorens gedaagde bevoegd was appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 12.6, vijfde lid, aanhef en onder f, van de CAO NU is de oorzaak van de medische arbeidsongeschiktheid niet van belang. Appellants standpunt dat gedaagde niet bevoegd was hem te ontslaan omdat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door excessieve werkomstandigheden kan dan ook niet worden gevolgd, nog daargelaten dat uit hetgeen onder 2.4.2. is overwogen blijkt dat van abnormale en excessieve werkomstandigheden niet kan worden gesproken.

3.5.2. In zijn uitspraak van 13 september 2001, TAR 2001, 157, met betrekking tot een soortgelijke bepaling als hier in geding, heeft de Raad uitgesproken van oordeel te zijn dat, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, die bepaling door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht dient te worden genomen. In de omstandigheden van het onderhavige geval ziet de Raad geen aanleiding anders te oordelen dan in de juist vermelde uitspraak.

3.5.3. Ten aanzien van het door gedaagde ingenomen standpunt dat een herplaatsingsonderzoek achterwege kon blijven nu appellant door de USZO per 1 juni 1998 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt was verklaard en nadien is gebleven, overweegt de Raad, zoals hij reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 17 juli 2003, LJN AI 0622, dat omstandig- heden denkbaar zijn waaronder een ontslagbesluit als het onderhavige ook zonder een herplaatsingsonderzoek als hier voorgeschreven in rechte stand zal kunnen houden. De Raad denkt hier bijvoorbeeld aan de situatie waarin het verrichten van arbeid door een betrokkene, die volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheids- verzekering, vanwege zijn gezondheidstoestand als louter hypothetisch moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de Raad is mede gelet op de volgende overwegingen in het onderhavige geval een dergelijke situatie niet aan de orde.

3.5.4. Uit het door appellant in hoger beroep overgelegde, op verzoek van de ver-zekeringsarts van de USZO uitgebrachte, rapport van de psychiater G. B., dat zowel door de USZO als door de bedrijfsarts van gedaagde aan hun respectieve arbeidsongeschiktheidsoordelen ten grondslag is gelegd, blijkt dat bij appellant sprake is van een persoonlijkheidsstoornis die zodanige effecten heeft op zijn functioneren dat kan worden verwacht dat appellant, indien hij in zijn huidige functie zou hervatten, als gevolg van de druk die hij zeker gezien de huidige stand van zaken op het werk zou ervaren onmiddellijk weer zou decompenseren. Naar het oordeel van de Raad rechtvaardigen de conclusies van G.B. niet het standpunt dat appellant, die graag, eventueel in een andere functie, weer aan het werk wil, niet in een andere dan de laatstelijk door hem vervulde functie herplaatsbaar zou zijn. Gedaagde had dan ook dienen te onderzoeken of binnen zijn gezagsbereik een voor appellant passende respectievelijk gangbare functie beschikbaar was. Nu gedaagde dit heeft nagelaten, is niet voldaan aan de in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van het BZA gestelde voorwaarde en was gedaagde derhalve niet bevoegd appellant op grond van artikel 12.6, vijfde lid, aanhef en onder f, van de CAO NU te ontslaan.

4. Het vorengaande betekent dat het hoger beroep slaagt. Uitspraak 2 en besluit 2 moeten worden vernietigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de ontslagzaak te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1;

Vernietigt uitspraak 2;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;

Vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 20 augustus 1999 met inachtneming van de onderhavige uitspraak van de Raad;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in de ontslagzaak tot een bedrag van € 966,-, te betalen door Wageningen Universiteit;

Bepaalt dat Wageningen Universiteit aan appellant het door hem in de ontslagzaak in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,52 (voorheen f 400,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2004.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.