Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
01/5207 WWCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De mededeling dat de uitbetaling op basis van een onjuist uitkeringspercentage heeft plaatsgevonden en zal worden teruggevraagd is niet aan te merken als een een besluit in de zin van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/131

Uitspraak

01/5207 WWCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde.

I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is mr. H. Molleman, juridisch medewerker van de Algemene Onderwijsbond te Utrecht, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Almelo, reg.nr. 01/255 WWCON

Z1 A, op 22 augustus 2001 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 2003. Aldaar is appellant noch zijn gemachtigde, zoals aangekondigd, verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Aan appellant is tot 1 december 2000 wachtgeld toegekend in verband met de beƫindiging van de door hem uitgeoefende functies als leerkracht bij de gemeentelijke huishoudschool "Derk Brouwer" te Twello en bij een dag- en avondmavo voor volwassenen te Hengelo.

Op 30 december 1999 heeft appellant zich bij gedaagde ziekgemeld, waarop gedaagde hem bij besluit van 26 januari 2000 een ziekte-uitkering heeft toegekend. Bij besluit van (eveneens) 26 januari 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat op 10 februari 2000 voor hem de bijzondere verlenging van de wachtgeldperiode ingaat, waarbij het eerste jaar het wachtgeld 40% van het laatst verdiende salaris zal bedragen.

Bij brief van 20 december 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat vanaf 10 februari 2000 een onjuist uitkeringspercentage aan hem is uitbetaald, te weten 70% in plaats van 40% en dat het teveel betaalde bedrag van appellant zal worden teruggevraagd.

Na door appellant bij brief van 25 januari 2001 gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 23 februari 2001 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding, voor zover gericht tegen het besluit tot vaststelling van de hoogte van de ziekte-uitkering.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven, alsmede een vergoeding van proceskosten en griffierecht toegekend. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder zijn aangeduid):

"De rechtbank stelt vast dat verweerder op 26 januari 2000 twee besluiten naar eiser heeft verstuurd. In het ene besluit deelde verweerder eiser mede dat hem vanaf 30 december 1999 een ziekte-uitkering werd toegekend, waarvan de hoogte gelijk was aan zijn werkloosheidsuitkering. In het andere besluit deelde verweerder eiser mede dat vanaf 10 februari 2000 de bijzondere verlenging inging en dat in het eerste jaar van deze verlenging zijn wachtgeld 40% van het laatstverdiende salaris bedroeg. De rechtbank is van oordeel dat eiser uit deze twee besluiten in onderlinge samenhang bezien voldoende duidelijk had kunnen zijn dat zijn ziekte-uitkering met ingang van 10 februari 2000 40% van zijn laatst verdiende salaris bedroeg. De rechtbank kan eiser derhalve niet volgen in zijn stelling dat hij eerst bij brief van 20 december 2000 in kennis is gesteld van de hoogte van zijn ziekte-uitkering van 40%. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het besluit van

20 december 2000 moet worden aangemerkt als een herzieningsbesluit. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat eiser niet zonder meer had mogen vertrouwen op de juistheid van de door verweerder verstrekte ziekte-uitkering van 70% en op zijn weg had gelegen dit bij verweerder te verifiƫren.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde expliciet aangegeven dat het bezwaarschrift van 25 januari 2001 gericht is tegen het besluit van verweerder van 20 december 2000. Het bezwaarschrift is derhalve naar het oordeel van de rechtbank tijdig ingediend. Nu het bezwaarschrift van 25 januari 2001 zich enkel en alleen richt tegen de vaststelling van de hoogte van de ziekte-uitkering, welke zoals hiervoor is aangegeven is vastgesteld bij besluit van 26 januari 2000 en reeds in kracht van gewijsde is gegaan, en niet tegen de herziening, had verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens ondeugdelijke motivering.".

Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren zich niet met het oordeel van de rechtbank te kunnen verenigen. Daartoe is in hoofdzaak betoogd dat de zienswijze wordt bestreden dat het appellant uit de twee besluiten van 26 januari 2000 duidelijk had kunnen zijn dat zijn ziekte-uitkering met ingang van 10 februari 2000 40% van zijn laatst verdiende salaris zou bedragen.

Gedaagdes verweer komt erop neer dat de uitkering van 40% is toegekend bij besluit van 26 januari 2000, tegen welk besluit destijds geen bezwaar is ingediend zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden. De beslissing van 20 december 2000 hield met betrekking tot de hoogte van de uitkering geen wijziging in, zodat hier geen sprake is van een concreet besluit met een zelfstandig rechtsgevolg. Het bezwaarschrift had derhalve op deze grond niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

De Raad overweegt als volgt.

In de brief van 20 december 2000, waartegen het bezwaar van appellant zich richt, heeft gedaagde geen nieuw standpunt met betrekking tot de hoogte van de uitkering ingenomen, doch slechts aangegeven dat de uitbetaling vanaf 10 februari 2000 op basis van een onjuist uitkeringspercentage heeft plaatsgevonden en dat het teveel betaalde bedrag zal worden teruggevraagd. Deze mededeling kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dat betekent dat het bezwaarschrift op die grond niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.

Mitsdien dient de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, te worden bevestigd.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, beslist derhalve als volgt.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004.

(get.) H. Bolt.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.