Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
03/1182 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het niet binnen twee weken indienen van de verlangde machtiging leidt tot niet- ontvankelijkheidverklaring. Verzet gegrond, omdat ontvangst met verzoek tot machtiging niet aangetoond kan worden. Termijn indiening te kort bevonden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6, geldigheid: 2004-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/136

Uitspraak

03/1182 WAO

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

mr. J.A.G. Jansen, beweerdelijk gemachtigde van [opposant], opposant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Mr. J.A.G. Jansen, belastingadviseur te Waalwijk, heeft namens [opposant] hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 27 januari 2003 tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij uitspraak van 29 juli 2003, welke op 4 augustus 2003 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de verlangde machtiging niet tijdig was ingediend.

Opposant is van die uitspraak in verzet gekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 december 2003, waar opposant is verschenen en waar geopposeerde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij schrijven van 20 maart 2003 is opposant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging over te leggen. Bij aangetekend schrijven van 22 april 2003 is opposant nogmaals de gelegenheid geboden de machtiging binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen, waarbij hij er tevens op is gewezen dat bij overschrijding van die termijn het hoger beroep op naam van de beweerdelijk gemachtigde zal worden gesteld en het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De machtiging is eerst op 15 mei 2003 ter griffie van de Raad ontvangen.

In zijn uitspraak van 29 juli 2003 heeft de Raad geoordeeld dat de verlangde machtiging niet tijdig is ingediend, zodat opposant geacht moet worden voor zichzelf beroep te hebben ingesteld. Aangezien van enig belang van opposant bij het besluit van gedaagde van 23 mei 2002 geen sprake is kan opposant niet als belanghebbende worden aangemerkt en acht de Raad het hoger beroep bij uitspraak van 29 juli 2003 kennelijk niet-ontvankelijk.

Door opposant is in het verzetschrift en ter zitting aangevoerd dat hij de brief van 20 maart 2003 nimmer heeft ontvangen en dat hij hiervan pas kennis heeft genomen bij ontvangst van de brief van 22 april 2003, waarbij een afschrift van de brief van 20 maart 2003 was gevoegd. Opposant heeft aangegeven dat hij meteen een volmacht heeft opgesteld en naar [opposant] heeft gestuurd. De reden dat het langer geduurd heeft is dat [opposant] destijds in het buitenland verbleef.

De Raad overweegt als volgt.

Nu opposant gesteld heeft dat hij de brief van 20 maart 2003 niet heeft ontvangen en ook niet kan worden aangetoond dat hij die brief wel heeft ontvangen omdat de brief niet aangetekend of met bericht van ontvangst is verzonden, stelt de Raad vast dat opposant eerst bij brief van 22 april 2003 in de gelegenheid is gesteld een machtiging over te leggen waarbij een termijn van twee weken is gegeven met de mededeling dat het niet tijdig indienen van de verlangde machtiging tot niet- ontvankelijkheidverklaring kan leiden. Deze termijn acht de Raad in het licht van de vigerende procesregeling van de Raad te kort, nog daargelaten of aldus op de juiste wijze toepassing is gegeven aan artikel 6:6 van de Awb.

Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder c van de Awb gegrond te verklaren. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.