Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
02/4760 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afzien van terugvordering vanwege dringende redenen. Tegen beter weten in verstrekken van voorschotten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 35
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 50
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4760 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde de over de periode van 11 september 1998 tot en met 31 mei 1999 onverschuldigd betaalde voorschotten ten bedrage van f 19.088,94 (€ 8.662,18) ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante teruggevorderd.

De daartegen door appellante ingediende bezwaren zijn bij besluit van 12 oktober 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 22 juli 2002, nr. AWB 00/11791 WAO, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. M. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 augustus 2003 heeft gedaagde vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2003, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, waarbij gedaagde van appellante aan haar verstrekte voorschotten ten bedrage van f 19.088,94 (€ 8.662,18) heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden. Bij de beoordeling hiervan gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals deze zijn gebleken uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

Appellante is op 12 september 1997 vanwege schildklierproblemen uitgevallen voor haar werkzaamheden van agrarisch medewerkster.

Bij brief, gedateerd 10 december 1998, heeft gedaagde aan appellante een kennisgeving doen toekomen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de WAO. Appellante heeft daarop bij formulier gedagtekend 14 december 1998 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een WAO-uitkering per 11 september 1998.

Gedaagde heeft op 11 maart 1999 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek doen instellen. Blijkens de rapportages, gedateerd 11 maart en 8 april 1999, is verzekeringsarts N.L. van Luntesburg tot de conclusie gekomen dat appellante -aangezien de schildkliermedicatie goed is aangeslagen- geen beperkingen heeft ten aanzien van arbeid.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 9 april 1999 appellante op grond van artikel 50, tweede lid, van de WAO met ingang van 11 september 1998 een voorschot toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Aan de hand van het rapport van verzekeringsarts Van Luntesburg heeft arbeidsdeskundige P.G. Vermeulen, zo blijkt uit zijn rapport van 7 mei 1999, geconcludeerd dat appellante geschikt is voor zowel haar eigen werkzaamheden als voor tal van andere bij haar opleiding en ervaring passende functies.

Vervolgens heeft gedaagde het besluit van 11 juni 1999 genomen, waarbij gedaagde heeft geweigerd appellante na afloop van de wachttijd op 11 september 1998 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO.

Bij het besluit van 12 november 1999 heeft gedaagde de gedurende de periode van 11 september 1998 tot en met 31 mei 1999 onverschuldigd betaalde voorschotten ten bedrage van f 19.088,94 (€ 8.662,18) teruggevorderd.

In bezwaar tegen (alleen) het terugvorderingsbesluit van 12 november 1999 heeft appellante medegedeeld dat zij niet in staat is tot terugbetaling. De gemachtigde van appellante heeft in aanvulling hierop nog aangevoerd dat appellante eerst op 10 december 1998 in de gelegenheid is gesteld om een WAO-aanvraag te doen per 11 september 1998. Appellante heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, omdat in het besluit van 11 juni 1999 is vermeld dat per 11 september 1999 een uitkering wordt geweigerd, zij er op mocht vertrouwen dat zij tot die datum recht had op een WAO-uitkering. Betoogd is verder dat door het weinig voortvarende handelen van gedaagde de beoordeling van de WAO-aanspraak te lang op zich heeft laten wachten, hetgeen onzorgvuldig is.

In het op bezwaar genomen bestreden besluit heeft gedaagde overwogen dat het bij het vermelden in het besluit van 11 juni 1999 van de foutieve datum als hiervoor weergegeven, alsmede bij het vermelden in datzelfde besluit van nog enkele foutieve data om kennelijke verschrijvingen gaat en dat het appellante, mede gelet op de onderliggende stukken zoals de aanzegging van de arbeidsdeskundige, duidelijk had kunnen zijn dat die data onjuist waren weergegeven.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde gelet op de wettelijke verplichting daartoe, terecht is overgegaan tot terugvordering van de verstrekte voorschotten. De rechtbank heeft voorts het door gedaagde bij het bestreden besluit ingenomen standpunt ten aanzien van de kennelijke verschrijvingen in het besluit van 11 juni 1999 niet onjuist geacht.

In hoger beroep heeft appellante opnieuw naar voren gebracht dat, omdat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet of de Algemene bijstandswet en haar echtgenoot slechts een (minimum)inkomen heeft, de voorschotten niet verrekend kunnen worden met een andere uitkering en zij door de terugvordering in grote financiële problemen is geraakt. Voorts is er nog op gewezen dat in het geval gedaagde wat voortvarender was geweest en vóór 1 februari 1999 een voorschotbesluit had afgegeven, er niet zou zijn teruggevorderd omdat dan nog het oude Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO,WAZ en Wajong van 1 april 1998 van toepassing zou zijn geweest, welk Besluit voor gevallen als hier aan de orde niet voorzag in terugvordering van de verleende voorschotten.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van appellantes grief dat zij er op mocht vertrouwen dat, gelet op de in het besluit van 11 juni 1999 genoemde datum van 11 september 1999, haar een uitkering was toegekend tot die datum, merkt de Raad op dat hij, evenals de rechtbank, tot geen andere conclusie is kunnen komen dan dat appellante, zo zij al niet had kunnen begrijpen dat sprake was van een fout, dan toch in ieder geval nadere informatie bij gedaagde had moeten inwinnen. De omstandigheid dat appellante, zulks nalatend, zonder meer ervan is uitgegaan dat haar een uitkering was toegekend rechtvaardigt geen rechtens te honoreren beroep op het beginsel dat gewekte verwachtingen dienen te worden nagekomen.

De Raad stelt vast dat op grond van artikel 34, tweede lid, van de WAO gedaagde appellante uiterlijk vier maanden voor het einde van de wachttijd op 11 september 1998 van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering schriftelijk in kennis had moeten stellen. Mede gelet op de toelichting zoals die door de gemachtigde van gedaagde ter zitting is gegeven, is tussen partijen niet in geschil dat gedaagde appellante die kennisgeving niet eerder dan op 10 december 1998, zijnde circa zeven maanden te laat, heeft doen toekomen. Appellante heeft vervolgens op 14 december 1998 gereageerd op gedaagdes brief en het aanvraagformulier ingezonden. Gelet op het bepaalde in artikel 34, vijfde lid, van de WAO, concludeert de Raad dat appellante geacht kan worden haar aanvraag tijdig te hebben ingediend.

Voorts is door gedaagdes gemachtigde ter zitting van de Raad erkend dat gedaagde in gebreke is gebleven om een spoedige afhandeling van appellantes aanvraag van 14 december 1998 te bewerkstelligen. Door eerst op 11 juni 1999 te beslissen op appellantes aanvraag van 14 december 1998 heeft gedaagde gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 8 en 18 van het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten (Stb. 1993, 779), zoals dit besluit ten tijde in geding luidde. De beslistermijn bedroeg dertien weken, welke termijn in het onderhavige geval is overschreden.

De Raad constateert voorts dat het op basis van de rapporten van 11 maart en 8 april 1999 van de verzekeringsarts Van Luntesburg, die ten tijde van het voorschotbesluit van 9 april 1999 bekend waren, aanstonds duidelijk had kunnen zijn dat appellante geen recht had op een WAO-uitkering. Van Luntesburg kwam immers tot de conclusie dat er bij appellante geen beperkingen waren ten aanzien van arbeid en dat zij geschikt was voor haar eigen werk. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde die voorschotten "tegen beter weten in" verleend. In dit verband is zijdens gedaagde ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat, om dergelijke onwenselijke situaties in de toekomst te voorkomen, inmiddels verbeteringen zijn aangebracht in de werkprocessen.

Tussen partijen is niet in geschil dat hier, gelet op de afgiftedatum van het onderhavige voorschotbesluit, van toepassing is het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999 van 25 november 1998 (Stcrt. 1998, 236), dat van toepassing is op voorschotbesluiten afgegeven in de periode 1 februari 1999 tot 1 juli 1999. In dit Besluit is (onder meer) bepaald dat, zodra de definitieve vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, de voorschotverstrekking wordt gestaakt en -indien aan de orde- wordt teruggevorderd en/of verrekend met een andere uitkering.

Evenmin is in geschil dat in het geval gedaagde wat voortvarender tot besluitvorming zou zijn overgegaan en een voorschotbesluit had afgegeven vóór 1 februari 1999, aan het Besluit einde wachttijd van 1 april 1998 (Stcrt. 1998, 70) toepassing zou zijn gegeven. Ingevolge dat Besluit zouden in het onderhavige geval de voorschotten, omdat die niet verrekend kunnen worden met een andere uitkering, niet van appellante zijn teruggevorderd.

Onder deze omstandigheden acht de Raad het onzorgvuldig jegens appellante dat gedaagde onverkort heeft vastgehouden aan toepassing van het Besluit einde wachttijd zoals dat gold na 1 februari 1999. Daarmee heeft gedaagde immers de nadelige gevolgen van het in overwegende mate aan het eigen nalaten van gedaagde te wijten tijdsverloop -bestaande uit de ten nadele van appellante uitwerkende wijziging van het toepasselijke beleid- geheel op appellante afgewenteld.

De Raad stelt voorts vast dat, nu appellante in de bezwaarfase van dit geding tegen het terugvorderingsbesluit heeft uiteengezet dat zij als gevolg van haar financiële en persoonlijke omstandigheden niet in staat was tot terugbetaling en uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op dringende redenen, gedaagde ten onrechte heeft nagelaten zich bij het nemen van het bestreden besluit ervan te vergewissen of sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Gelet op al het voorgaande houdt de Raad het er voor dat aan het moeten terugbetalen van voorschotten in de gegeven, uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbare financiële, althans sociale, consequenties voor appellante waren verbonden. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarin gedaagde zich, omdat de thans voorhanden zijnde gegevens geen compleet beeld geven van de van belang zijnde feiten en omstandigheden, op basis van nader feitenonderzoek, en met inachtneming van hetgeen hiervoor door de Raad is overwogen en geoordeeld, nader dient te beraden over de mate waarin van terugvordering dient te worden afgezien.

De Raad wijst er ten slotte op dat hij reeds eerder heeft overwogen -verwezen wordt naar zijn uitspraak van 17 maart 2000, gepubliceerd in USZ 2000/115- dat uit artikel 57, lid 5, van de WAO, inhoudende dat een terugvorderingsbesluit mede dient te vermelden de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, voortvloeit dat uiterlijk in het besluit op bezwaar uitsluitsel moet worden gegeven over de wijze van invordering en dat alleen in geval van bijzondere, in het besluit op bezwaar aan te geven, omstandigheden daarvan mag worden afgezien.

Nu appellante ook in het beroepschrift tegen het bestreden besluit en in hoger beroep heeft aangegeven dat zij in zeer grote problemen is gekomen door de terugvordering en niet in staat is om het teruggevorderde bedrag terug te betalen en aldus mede (het ontbreken van besluiten omtrent) de invordering daarvan tot onderwerp van de rechtsstrijd heeft gemaakt, is de Raad van oordeel dat ook wegens het in strijd met artikel 57, vijfde lid, van de WAO daarin ontbreken van een invorderingsbesluit, het terugvorderingsbesluit in rechte geen stand kan houden.

Uit al het voorgaande volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen waarin hij zich dient te beraden over de mate waarin van terugvordering wordt afgezien en waarin, zo de terugvordering gedeeltelijk wordt gehandhaafd, tevens een invorderingsbesluit dient te worden opgenomen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.