Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
17-02-2004
Zaaknummer
01/4348 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kwijtschelding restant fraudevordering.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 78c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

01/4348 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. W.A. Swildens op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 11 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 00/563, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 januari 2004, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van 2 oktober 1991 heeft de kantonrechter te Alkmaar - voorzover hier van belang - bepaald dat appellante aan de gemeente Alkmaar dient terug te betalen een bedrag van f 33.413,-- wegens als gevolg van verzwegen inlichtingen ten onrechte ontvangen bijstand.

Bij brief van 22 februari 1999 heeft de gemachtigde van appellante gedaagde verzocht op grond van artikel 78c, tweede lid, van de Abw af te zien van (verdere) terugvordering van het restant van die vordering. Dit verzoek is bij besluit van 21 september 1999 door gedaagde afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 78c, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw en evenmin aan die van het gemeentelijke beleid inzake de toepassing van artikel 78c, eerste lid, van de Abw.

Bij besluit van 1 maart 2000 heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 1 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarmee appellante zich niet kan verenigen. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat de door gedaagde ontwikkelde beleidsregels inzake toepassing van artikel 78c, eerste lid, van de Abw, onredelijk zijn en voorts dat gedaagde bij de beoordeling van het verzoek van appellante onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin appellante verkeert.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Dit artikel is ingevoegd bij wijzigingswet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278, welke wet betrekking heeft op de vaststelling van enkele maatregelen, die beogen een bijstelling mogelijk te maken van het tot dan toe gevoerde beleid terzake van debiteuren in het kader van de Abw. Uit de wetsgeschiedenis komt onder meer het volgende naar voren:

De in deze wet genoemde maatregelen beogen de gemeenten in staat te stellen om een efficiƫnter en doelmatiger debiteurenbeleid te voeren. De maatregelen omvatten onder andere een versoepeling van de terugvorderingsbepalingen, welke versoepeling ook betrekking kan hebben op fraudeschulden. Uitgangspunt blijft een strakke afbetalingsperiode, waarbij zoveel mogelijk moet worden ingevorderd. Daarna wordt de terugvorderingsplicht omgezet in een bevoegdheid om terug te vorderen. Ook bij toepassing van de bevoegdheid moet goed in het oog worden gehouden dat het uitgangspunt van de terugvorderingsbepalingen blijft dat onterecht verleende uitkeringen (zoveel mogelijk) moeten worden teruggevorderd. Het is niet de bedoeling dat indien iemand aan de voorwaarden genoemd in artikel 78c van de Abw voldoet in alle gevallen automatisch wordt afgezien van terugvordering. Bij elk individueel geval zal moeten worden bezien of er een gegronde reden is om af te zien van verdere terugvordering.

Ten aanzien van artikel 78c van de Abw heeft gedaagde een beleid ontwikkeld, zoals neergelegd in de Nota 'Beheer en Beleid Debiteuren Abw, IOAW en IOAZ' . Daarbij wordt een principieel onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-fraudevorderingen om te voorkomen dat fraude lonend kan worden. Voorts kan volgens dit beleid bij een vordering, die is ontstaan als gevolg van schending van de informatieplicht, van verdere terugvordering worden afgezien indien:

- stipte betaling van 60 maandtermijnen heeft plaatsgevonden ten

behoeve van de betreffende vordering, en

- het inkomen van de debiteur op het moment van het verzoek tot

kwijtschelding kleiner is dan 1,5 maal de relevante netto-bijstandsnorm, en

- 75% van het oorspronkelijke (bruto) terugvorderingsbedrag is afgelost.

De Raad stelt voorop dat de door de kantonrechter vastgestelde vordering van f 33.413,-- zijn grond vindt in de schending van de op appellante rustende inlichtingenplicht jegens gedaagde, zodat de in artikel 78c, tweede lid, van de Abw genoemde driejarentermijn toepassing mist.

De Raad stelt voorts vast dat appellante ten tijde van het bestreden besluit gedurende vijf jaar aan haar betalingsverplichting had voldaan, zodat gedaagde de bevoegdheid toekwam tot toepassing van artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw over te gaan.

De Raad oordeelt verder dat gedaagde met het in dit opzicht gevoerde beleid - mede bezien in het licht van de door de wetgever bij kwijtschelding van bijstandsvorderingen gehanteerde uitgangspunten - niet in strijd komt met algemeen verbindende voorschriften waarop het is gebaseerd en binnen de grenzen is gebleven van een redelijke beleidsbepaling.

Nu vaststaat dat appellante ten tijde in geding nog geen 75% van het oorspronkelijke (bruto) terugvorderingsbedrag had afbetaald, heeft gedaagde het verzoek van appellante tot kwijtschelding van de restantvordering terecht, overeenkomstig zijn beleid, afgewezen.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen toereikende grond om af te wijken van de hierboven weergegeven beleidsregel. De namens appellante benadrukte omstandigheden, zoals de zorg voor vier kinderen, het langdurig aangewezen zijn op bijstand en de gestelde onmogelijkheid de inkomenssituatie te verbeteren, zijn ten opzichte van andere, met appellante vergelijkbare bijstandsgerechtigden niet dermate bijzonder dat niettemin tot kwijtschelding van de restantvordering zou moeten worden overgegaan.

Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.E. Broekman.