Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
02/4681 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verleend ontslag i.v.m. het vertonen van een niet professionele houding en mentaliteit in relatie tot de toekomstige functie.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4681 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2002, nr. AW 01/2891 FRC, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en door P.J. van den Hengel en D.C. Wychgel, beiden werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedurende zijn tijdelijke aanstelling in het district Centrum als adspirant van politie voor de duur van de basisopleiding POMB is appellant betrokken geweest bij twee incidenten. Het ene betreft het geval dat appellant in zijn vrije tijd in de nacht van 16 op 17 september 2000 met zijn eigen auto met zeer hoge snelheid en door rood licht rijdend in het centrum van Rotterdam een auto heeft achtervolgd waarin de dader van een diefstal zou zitten, hetgeen achteraf een door een vriend van appellant in scene gezette achter-volging bleek te zijn. Het andere betreft het geval dat appellant in de nacht van 10 op 11 december 2000, tijdens een avondje stappen in het centrum van Rotterdam waarbij hij een flink aantal alcoholhoudende dranken heeft genuttigd, bij een vechtpartij betrokken is geraakt en per ambulance naar het ziekenhuis is gebracht waar hij onder invloed van alcohol bleek te zijn.

1.2. Op grond van het door appellant bij en na deze incidenten getoonde gedrag heeft gedaagde appellant niet geschikt geacht voor het politieambt. Met ingang van de dag, volgend op de dag waarop de opleiding is voltooid, is aan appellant op grond van artikel 89, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) ontslag verleend.

1.3. In weerwil van het andersluidende advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtpositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond heeft gedaagde het ontslag gehandhaafd bij bestreden besluit van 13 november 2001. Hij is uitvoerig ingegaan op de houding en het gedrag van appellant tijdens en na de incidenten en is opnieuw tot de conclusie gekomen dat hij appellant niet geschikt acht voor het ambt van politiefunctio-naris bij het korps Rotterdam-Rijnmond. Hij verwerpt de "(bijna) strafrechtelijke benadering" van de bezwarencommissie en acht aannemelijk gemaakt dat appellant door zijn houding en gedrag niet heeft voldaan aan de redelijkerwijs te stellen verwachtingen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat op grond van de gegevens die betrekking hebben op de beide incidenten genoegzaam vast staat dat appellant niet voldeed aan de te stellen eisen van geschiktheid en bekwaamheid, zodat hem op goede gronden ontslag is verleend per einde van zijn basisopleiding.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de uitspraak niet deugdelijk is gemotiveerd omdat de rechtbank zich, evenals gedaagde in het bestreden besluit, slechts beperkt tot een oordeel dat uitsluitend gebaseerd is op de beide incidenten zonder deze te plaatsen tegen de brede achtergrond van de omstandigheden van het geval in samenhang met het totale functioneren van appellant. Gedaagde heeft verzuimd in de redelijkerwijs te stellen verwachtingen te betrekken dat appellant nog in opleiding was. Voorts, aldus appellant, heeft gedaagde hem te snel definitief onbekwaam en ongeschikt geacht. Nu appellant met glans zijn opleiding heeft behaald en in die zin dus heeft aangetoond bekwaam en geschikt te zijn, had gedaagde de in de regel op de opleiding volgende proeftijd kunnen benutten om beter zicht te krijgen op de beroepshouding van appellant.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aan appellant is ontslag verleend met toepassing van artikel 89, eerste lid, van het Barp (oud), luidend: "Aan de adspirant die tegen het einde van de basisopleiding niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de basisopleiding is voltooid." Een dergelijk ontslag is op een lijn te stellen met de beƫindiging van een tijdelijke aanstelling na afloop van een proeftijd. Volgens vaste rechtspraak (zie CRvB 15 mei 2003, TAR 2003, 156) is de rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit beperkt tot het beantwoorden van de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, het bevoegd gezag in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan.

4.2. De Raad beantwoordt die vraag in dit geval bevestigend. Hij overweegt daartoe dat aan gedaagde niet kan worden ontzegd dat hij (ook) van een adspirant verwacht dat deze zich onthoudt van het gaan stappen en te veel drinken in zijn eigen district in bij hem als adspirant bekende uitgaansgelegenheden. Voorts kan gedaagde in redelijkheid van een adspirant verwachten dat deze niet in zijn vrije tijd op onverantwoordelijke wijze en in strijd met zijn bevoegdheden zelfstandig politiewerk verricht. Aan deze beide in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft appellant niet voldaan.

4.3. Niet gezegd kan worden dat gedaagde te snel tot zijn conclusie betreffende appellants geschiktheid is gekomen. Die conclusie is, zo is ter zitting nog duidelijk gemaakt, niet getrokken op basis van de twee losse incidenten, maar op grond van de combinatie van houding en gedrag van appellant tijdens en na die incidenten, waardoor het vertrouwen van gedaagde in het toekomstig functioneren van appellant verloren is gegaan. De omstandigheid dat appellant met glans zijn diploma heeft gehaald doet niet af aan de ontslagbevoegdheid van gedaagde. Het diploma betreft in hoofdzaak de bekwaamheid van de adspirant, terwijl aan het ontslagbesluit ten grondslag ligt - en mag liggen - het oordeel over de geschiktheid in de zin van professionele houding en mentaliteit.

5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

02.02