Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
03/408 AW + 03/410 AW + 03/411 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending doorzendplicht: bezwaarschrift had als beroepschrift naar de rechtbank moeten worden doorgezonden;

opzettelijk onjuiste vermelding beroepstermijn in verband met vakantieperiode; niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 3:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/408 AW

03/410 AW

03/411 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats 1],

[appellant 2], wonende te [woonplaats 2],

[appellant 3], wonende te [woonplaats 3], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellanten hebben gezamenlijk op daartoe bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 december 2002, nrs. 02/516, 02/518 en 02/519, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 januari 2004. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brieven van 29 mei 2000 heeft gedaagde appellanten meegedeeld dat hij onder toepassing van het geldende functiewaarderingssysteem van de door ieder van hen beklede organieke functie van Medewerker Bouw- en Woningtoezicht, de beschrijving had vastgesteld en die functie had gewaardeerd. De genoemde functie is daarbij een score van 54 punten toegekend en dientengevolge vastgesteld op functieniveau 9. Daarbij heeft gedaagde vermeld dat appellanten zowel tegen de functiebeschrijving als tegen de functiewaardering bezwaar konden maken.

1.2. Tegen de besluiten van 29 mei 2000 is op 5 juli 2000 namens appellanten bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden. Op 6 juli 2000 zijn die gronden aangevoerd voor wat betreft de functiebeschrijving en op 24 juli 2000 voor wat betreft de functie-waardering. Naar aanleiding van de eerstgenoemde bezwaren heeft gedaagde de bezwarencommissie functiewaardering geraadpleegd. In overeenstemming met het advies van deze commissie heeft gedaagde de functiebeschrijving aangepast. Vervolgens heeft gedaagde de functiebeschrijving voorgelegd aan de Toetsingscommissie Functiewaardering. Overeenkomstig het advies van deze commissie is de waardering van de functie wederom vastgesteld op 54 punten, waarmee die functie ingedeeld bleef op functie-niveau 9.

1.3. Van deze besluiten zijn appellanten in kennis gesteld bij brieven van 2 augustus 2001. Aan het slot van deze brieven is vermeld dat bij gedaagde bezwaar kan worden gemaakt binnen 10 weken na genoemde datum.

1.4. Appellanten hebben tegen deze besluiten bij gedaagde bezwaar gemaakt bij brief van 9 oktober 2001. Bij besluiten van 11 februari 2002 is de waarderingsuitkomst nader vastgesteld op 55 punten, hetgeen niet heeft geleid tot indeling in een hogere salarisschaal. Tegen de besluiten van 11 februari 2002 hebben appellanten beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten gegrond verklaard, de besluiten van 11 februari 2002 vernietigd, de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 augustus 2001 alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de besluiten van 11 februari 2002. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat gedaagde blijkens de besluiten van 11 februari 2002 de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 augustus 2001 klaarblijkelijk ontvankelijk heeft geacht, zulks terwijl het bezwaarschrift van appellanten tegen de laatstgenoemde besluiten is ingediend na afloop van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde termijn van zes weken na de bekendmaking van gedaagdes besluiten van 2 augustus 2001.

2.2. Verder heeft de rechtbank, gelet op artikel 6:11 van de Awb, onderzocht of zich de situatie voordoet dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellanten in verzuim zijn geweest. Daarbij heeft zij vastgesteld dat namens gedaagde is verklaard dat aan appellanten een termijn van 10 weken is gegund om bezwaar te maken tegen de besluiten van 2 augustus 2001, omdat de bekendmaking van deze besluiten in de vakantieperiode viel. De mogelijkheid dat een belanghebbende als gevolg van diens afwezigheid wegens vakantie eerst na afloop van de wettelijke bezwaartermijn bekend wordt met een aan hem gericht besluit, vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen grond om de overschrijding van die termijn verschoonbaar te achten, te meer niet in het geval van appellanten, aangezien zij naar hun zeggen reeds kort na 2 augustus 2001 van gedaagdes besluiten kennis hebben genomen.

2.3. De rechtbank heeft appellanten voorts niet gevolgd in het betoog dat de termijnoverschrijding niet aan hun mag worden tegengeworpen, omdat gedaagde geen juiste toepassing aan artikel 3:45, tweede lid, van de Awb heeft gegeven door te vermelden dat bezwaar kan worden gemaakt binnen een termijn van 10 weken. Het enkele feit dat gedaagde een onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen, maakt de termijnoverschrijding naar haar oordeel nog niet verschoonbaar.

2.4. Ook de aangevoerde personeelsproblemen bij de belangenorganisatie CFO (thans CNV Publieke Zaak), die stelt door personeelswisselingen met ingehuurde krachten te hebben moeten werken konden de rechtbank er niet toe brengen de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de besluiten van 2 augustus 2001 zijn genomen op bezwaar - namelijk ingevolge de bezwaren gemaakt op 5 juli 2000, aangevuld op 6 en 24 juli 2000 - zodat het bezwaarschrift van appellanten van 9 oktober 2001 tegen die besluiten ingevolge artikel 6:15 van de Awb door gedaagde ter behandeling als beroepschrift naar de rechtbank had moeten worden gezonden. Er was inderdaad aanleiding de besluiten van 11 februari 2002 te vernietigen omdat op de bezwaren van appellanten reeds in het besluit van 2 augustus 2001 was beslist, maar vervolgens had de rechtbank moeten onderzoeken wat er zij van het alsdan door haar als beroepschrift te behandelen bezwaarschrift van 9 oktober 2001. Onder vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen.

3.2. Daartoe overweegt de Raad mutatis mutandis op grond van de door de rechtbank gegeven, hierboven onder 2.1. tot en met 2.4. weergegeven overwegingen dat op grond van de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb het als beroep te behandelen bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 2 augustus 2001 niet-ontvankelijk is. Met betrekking tot de omstandigheid genoemd in 2.4. voegt de Raad daaraan nog toe dat personeelsproblemen bij een rechtsbijstandverlener volgens vaste jurisprudentie voor risico van de betrokken procespartij komen.

3.3. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

4. Gezien het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voorzover de rechtbank daarbij de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 augustus 2001 alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de besluiten van 11 februari 2002.

5. In het vorenstaande vindt de Raad voorts aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand. Daarbij worden de onderhavige zaken beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 augustus 2001 niet-ontvankelijk zijn verklaard en is bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de besluiten van 11 februari 2002;

Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun als beroep te behandelen bezwaar tegen de besluiten van 2 augustus 2001;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de gemeente Epe;

Bepaalt dat de gemeente Epe aan appellanten het door hen in hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.

HD

26.01

Q