Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
02/138 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onheuse bejegening op werkvloer vanwege seksuele geaardheid. Verzoek aan werkgever om schadevergoeding. Verjaring.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/60
JB 2004/133 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/138 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 16 oktober 2001, nr. AWB 01/00842 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een pleitnota toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 november 2003. Appellant is niet verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Gijzen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1.1. Appellant, geboren in 1944, heeft vanaf 1963 tot de datum van zijn functioneel leeftijdsontslag op 1 augustus 1999, als beroepsmilitair gediend bij de Koninklijke Landmacht, laatstelijk in de rang van adjudant bij de Geneeskundige Dienst. Bij schrijven van 23 september 1999 heeft appellant een bedrag van ƒ100.000,- aan schadevergoeding geëist, omdat gedaagde - kort weergegeven - gedurende de periode 1970-1994 lijdelijk heeft toegelaten dat appellant vanwege zijn homoseksuele geaardheid bij de diverse collega's en ondergeschikten het mikpunt van smaad en laster was, hij als krijgstuchtelijk of beoordelend meerdere nooit werd geaccepteerd vanwege zijn geaardheid en gedaagde appellant nooit een eerlijke kans heeft gegeven zich daartegen in rechte te verweren.

1.2. Bij besluit van 26 juli 2000 heeft gedaagde het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat - kort gezegd - de aantijgingen van appellant als onjuist van de hand worden gewezen en niet is komen vast te staan dat appellants reputatie door toedoen van het Ministerie van Defensie schade is toegebracht. Bij het bestreden besluit van 24 januari 2001 heeft gedaagde, na bezwaar, de afwijzing gehandhaafd, primair op de grond dat het verzoek van appellant tot vergoeding van de schade door het verloop van vijf jaren is verjaard, en subsidiair op de grond genoemd in het besluit van 26 juli 2000.

Het beroep op verjaring berust op de overweging dat, nu appellant reeds voor 1970 bekend was met het feit dat zijn reputatie werd beschadigd sinds het uitkomen voor zijn geaardheid en al in 1980 op de hoogte kon zijn van het feit dat zijn geaardheid een rol speelde bij zijn functioneren, ten tijde van zijn verzoek om schadevergoeding meer dan vijf jaren waren verstreken vanaf het moment waarop hij in actie had kunnen komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, omdat zij van oordeel was dat gedaagde zich terecht op verjaring heeft kunnen beroepen.

3. Appellant heeft zich met die uitspraak niet kunnen verenigen. In hoger beroep heeft hij zijn standpunt herhaald dat hij niet eerder dan in 1998 in actie heeft kunnen komen, omdat hij eerst op dat moment van een klein aantal bevriende militairen te weten is gekomen dat hij sinds 1970 werd afgeschilderd als een homoseksueel die binnen de Krijgsmacht zijn handen niet kon thuishouden, en het hem pas in 1998 gelukt is om de Uitgebreide Uiteenzetting van de Commissie van Bezwaarschriften van 17 juni 1980 (UCB) in handen te krijgen waarin voor hem ernstig belastende teksten blijken te staan. Appellant meent dat er jegens hem sprake is van samenspanning en dat deze voor hem tot 1998 verborgen is gebleven. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat hij vanaf 1970 aan vermoeidheidsklachten leed waardoor hij niet eerder in staat was om jegens gedaagde actie te ondernemen. Tot slot heeft appellant benadrukt dat hij zich met betrekking tot zijn schadevergoedingsverzoek expliciet heeft beroepen op het, door het onderzoeksinstituut IVA, recent uitgebrachte rapport inzake het vervolgonderzoek naar de positie van homoseksuelen binnen de Defensieorganisatie en dat gedaagde noch de rechtbank daarop zijn ingegaan.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van deze Raad - verwezen wordt onder andere naar de uitspraak van de Raad van 3 januari 2002, TAR 2002, 82 - zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar en ligt de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop degene die meent schade te lijden, met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen.

4.2. In geding is de vraag of gedaagde zich, gelet hierop en op hetgeen door appellant is aangevoerd, terecht op verjaring heeft kunnen beroepen.

4.3. De door appellant op 23 september 1999 gevraagde schadevergoeding betreft de immateriële schade die appellant stelt te hebben geleden vanaf het moment waarop hij in 1970 tegenover zijn collega militairen was uitgekomen voor zijn homoseksuele geaardheid. Naar zijn zeggen heeft hij zich sedertdien onophoudelijk te weer moeten stellen tegen slechte behandelingen, tegenwerkingen, pesterijen, lijdelijk verzet van ondergeschikten, discriminatie, beledigingen en bedreigingen. Appellant meent voorts recht op schadevergoeding te hebben, omdat hij meent vanwege zijn geaardheid magere dan wel onvoldoende beoordelingen te hebben gekregen waardoor hij, laatstelijk in 1991, niet werd voorgedragen voor bevordering tot eerste luitenant.

4.4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 januari 2003, TAR 2003, 62 overweegt de Raad dat degene die om schadevergoeding verzoekt voldoende feiten moet stellen en aannemelijk moet maken waaruit het ontstaan van de schade kan worden afgeleid. Deze verplichting berust op artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.5. Appellant heeft niet voldoende concreet aangegeven dat er ook buiten de door hem genoemde gebeurtenis in 1991 nog sprake was van schadeveroorzakend handelen of nalaten van gedaagde jegens appellant. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het door hem wel voldoende concreet aangeduide handelen of nalaten van gedaagde pas na 23 september 1994 in actie heeft kunnen komen. Nu appellant ook niet heeft aangegeven uit welke gegevens in het in mei 1999 verschenen rapport van het IVA blijkt van (concreet) schadeveroorzakend handelen of nalaten van gedaagde jegens hem, ziet de Raad geen grond te oordelen dat appellant eerst na het verschijnen van dat rapport in actie heeft kunnen komen.

4.6. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat op 23 september 1999 reeds meer dan vijf jaren waren verstreken sedert de tijdstippen waarop appellant tegen schadeveroorzakend handelen of nalaten van gedaagde in actie had kunnen komen, wat betekent dat gedaagde zich terecht op verjaring heeft kunnen beroepen. Derhalve moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

26.01

Q