Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
01/6128 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het verzoek om beperking van de kennisneming van stukken in dit geval gerechtvaardigd?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6128 AW

B E S L I S S I N G

inzake de toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met de artikelen 8:29 en 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het algemeen bestuur van het Waterschap IJsselmonde, gedaagde.

I. INLEIDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2001, nr. AW 01/607-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 24 juli 2003, aangevuld bij brieven van 3 oktober 2003 en 11 november 2003, heeft gedaagde de Raad verzocht om beperking van de kennisneming van de stukken voorkomende op een zogenoemde inhoudsopgave vertrouwelijke stukken, met uitzondering van de stukken genummerd 1.V en 14. V (voor zover het betreft pagina 2, de laatste twee regels, tot en met pagina 6, tweede alinea). Appellant heeft hierop gereageerd bij brieven van 14 augustus 2003, 7 oktober 2003 en 14 november 2003.

Met betrekking tot dat verzoek heeft de Raad na verkregen toestemming van partijen met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en dat het onderzoek is gesloten.

II. MOTIVERING

1. Het hoger beroep van appellant ziet op het aan hem verleende ontslag uit de functie van secretaris-rentmeester bij het Waterschap IJsselmonde. Gedaagde heeft zijn verzoek om beperking van de kennisneming van enkele (onderdelen van) stukken, voorzover dat door de rechtbank in eerste aanleg is gehonoreerd, in hoger beroep herhaald. Het verzoek heeft betrekking op verslagen van (besloten) vergaderingen van gedaagde, dan wel van door gedaagde ingestelde Commissies, waarin de positie van appellant aan de orde is geweest. Het verzoek heeft voorts betrekking op adviezen die in verband met de positie van appellant aan gedaagde zijn uitgebracht.

2. Naar aanleiding van hetgeen in het kader van dit verzoek is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de Raad mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het bepaalde in artikel 8:29, tweede lid, van de Awb in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet zijn gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Ingevolge artikel 8:29, derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet beslist de Raad of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4.1. Gedaagde heeft het verzoek om beperking van de kennisneming van de vergaderstukken doen steunen op de overweging dat deze beperking noodzakelijk is teneinde de deelnemers aan de vergaderingen te beschermen. Voor een goede beraadslaging en besluitvorming binnen het bestuur is het volgens gedaagde nodig dat de leden in vrijheid hun persoonlijke opvattingen en eventuele twijfels en vragen kunnen uiten, zonder ervoor te hoeven vrezen dat die persoonlijke opvattingen voor hen gevolgen zullen hebben als het eenmaal tot besluitvorming is gekomen.

4.2. Appellant heeft hierop gereageerd door te wijzen op het verdedigingsbeginsel, waaruit voortvloeit dat de rechter zich bij zijn onderzoek en vaststelling van de feiten in beginsel alleen mag baseren op gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en de volledigheid hebben kunnen nagaan en in het proces ter discussie hebben kunnen stellen.

4.3. Na kennis te hebben genomen van de in het geding zijnde stukken, is de Raad tot het oordeel gekomen dat het door gedaagde aangevoerde belang bij beperking van de kennisneming van deze stukken niet opweegt tegen het belang van appellant bij inachtneming van het hiervóór omschreven verdedigingsbeginsel. Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de slotsom dat aan de door gedaagde aangevoerde redenen niet een zodanig gewicht toekomt dat beperking van de kennisneming van de hier bedoelde stukken gerechtvaardigd is. De Raad kan en zal daarbij in het midden laten of ingevolge de Wob reeds de verplichting bestaat de betreffende stukken over te leggen.

5. De stukken waarvan beperking van de kennisneming is verzocht zullen aan gedaagde worden teruggezonden met de uitnodiging deze stukken desgewenst wederom in te zenden. De behandeling van het hoger beroep zal zonodig worden voortgezet door een andere kamer.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bepaalt dat de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) S.P. Madunic.

HD

08.01