Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
03/2469 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sociaal plan na reorganisatie. Seniorenmaatregelen in hoofdstuk 5 van de CAR. Aanvulling werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/2469 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 mei 2003, nr. AWB 02/1847 AW I GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2003 waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C. van der Steen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, werkzaam bij CAPRA.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert februari 1974 in dienst van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg en werkzaam bij de ZOL-bedrijven. In 1994 vond binnen de ZOL-bedrijven een reorganisatie plaats, waarvan de personele gevolgen waren geregeld in het Sociaal Plan voor de reorganisatie van de ZOL-bedrijven (het sociaal plan). Per 1 mei 1996 zijn de activiteiten van de ZOL-bedrijven overgenomen door Licom NV. Met ingang van 1 mei 1996 is appellant met behoud van zijn ambtenaarschap tewerkgesteld bij Licom NV. Ingaande 1 september 1996 heeft appellant gebruik gemaakt van de in artikel 8 van het sociaal plan opgenomen uitstroombevorderende maatregel. Op grond hiervan is appellant met ingang van 1 september 1996, de eerste dag van de maand nadat appellant de leeftijd van 55 jaar bereikte, met behoud van het dienstverband buiten-gewoon verlof verleend, onder toekenning in het eerste jaar van een salaris van 90% van de bezoldiging met vervolgens een jaarlijkse vermindering van 2,5%. Voorts heeft appellant zich verplicht om op de eerst mogelijke datum, zijnde 1 september 2002, vervroegd uit te treden op basis van de Vut-wet dan wel de overgangsregeling flexibele pensionering. Aan appellant is per 1 september 2002 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:11 van de toepasselijke Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling (CAR).

1.2. Bij brief van 11 maart 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om toekenning van de Aanvulling werkgever, een aanvullende uitkering op grond van artikel 5a:1 van de CAR. Deze bepaling luidt:

"De ambtenaar die op of na 1 januari 2000:

a. ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11; en

b. geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen;

c. geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op de Aanvulling werkgever."

Hoofdstuk 5 van de CAR bevat drie seniorenmaatregelen: de 56-jarigenregeling, de pré-VUT voor 60-jarigen tot de 61 jarige leeftijd en de 60-jarigenregeling.

1.3. Bij primair besluit van 22 mei 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 oktober 2002, heeft gedaagde appellants verzoek hem in aanmerking te brengen voor de Aanvulling werkgever afgewezen. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de regeling die met appellant is getroffen feitelijk neerkomt op het gebruik maken van een seniorenmaatregel, zodat hij daarnaast geen aanspraak kan maken op de Aanvulling werkgever.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is door het accepteren door appellant van de uitstroombevorderende maatregel de rechtsverhouding tussen partijen gedurende het (nog formele) dienstverband en met betrekking tot de beëindiging ervan niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en definitief vast komen te liggen, zodat in die situatie bezwaarlijk met een beroep op artikel 5a:1 van de CAR aanspraak gemaakt zou kunnen worden op de Aanvulling werkgever. Maar ook indien appellant wel onder de vigeur van artikel 5a:1 van de CAR zou vallen, zou dit appellant naar het oordeel van de rechtbank niet baten, nu de uitstroombevorderende maatregel van 1996 op analoge wijze aangemerkt moet worden als een seniorenmaatregel als bedoeld in hoofdstuk 5 van de CAR.

3. Appellant stelt dat de tekst van artikel 5a:1 van de CAR gedaagde geen ruimte laat hem de Aanvulling werkgever te ontzeggen. Gedaagde bepleit bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat, gezien de inhoud van de uitstroombevorderende maatregel op grond van het sociaal plan, de met appellant getroffen regeling naar de letter niet is te beschouwen als een der seniorenmaatregelen die in de hoofdstuk 5 van de CAR zijn omschreven.

4.2. Vervolgens rijst de vraag of gedaagde desalniettemin appellant een aanspraak op de Aanvulling werkgever kan ontzeggen op grond van artikel 5a:1, aanhef en onder b, van de CAR of op een andere grond. Die vraag beantwoordt de Raad, anders dan de rechtbank heeft gedaan, ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.2.1. Het enkele feit dat appellant, wiens dienstverband in stand is gebleven gebruik heeft gemaakt van de uitstroombevorderende maatregel op grond van het sociaal plan staat er niet aan in de weg dat hij recht heeft op de Aanvulling werkgever. Ten aanzien van ambtenaren die van de uitstroombevorderende maatregel gebruikmaken zoals appellant heeft gedaan, is in het sociaal plan bepaald dat alle rechtspositieregelingen en arbeidsvoorwaarden, zij het met enkele hier niet terzake doende beperkingen, van toepassing blijven. De in artikel 5a:1 van de CAR geregelde Aanvulling werkgever is zo'n rechtspositieregeling.

4.2.2. De Raad kan de rechtbank niet volgen in de overweging dat de uitstroom-bevorderende maatregel op grond van het sociaal plan aangemerkt moet worden als een seniorenmaatregel in de zin van hoofdstuk 5 van de CAR en dat appellant gezien de bewoordingen van artikel 5a:1, aanhef en onder b, van de CAR dus niet in aanmerking komt voor de Aanvulling werkgever. Gezien de achtergrond van de uitstroombevor-derende maatregel, die kennelijk beoogt de gevolgen van een reorganisatie voor bepaalde ambtenaren te verzachten, moet deze worden aangemerkt als een zelfstandige bijzondere regeling die voor de toepassing van de juist genoemde bepaling niet op één lijn is te stellen met een der in hoofdstuk 5 van de CAR vermelde seniorenmaatregelen, te minder nu de uitstroombevorderende maatregel andere voorwaarden bevat en in een andere uitkeringshoogte voorziet dan de pré-VUT-regeling als bedoeld in hoofdstuk 5 van de CAR. Appellant kan dan ook niet op grond van artikel 5a:1, aanhef en onder b, van de CAR aanspraak op de Aanvulling werkgever worden ontzegd.

4.2.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 mei 2001, TAR 2001, 106, betoogt gedaagde nog dat, indien de uitstroombevorderende maatregel op grond van het sociaal plan niet als een seniorenmaatregel moet worden beschouwd als bedoeld in hoofdstuk 5 van de CAR, er sprake is van een misslag van de regelgever omdat het niet de bedoeling van de regelgever kan zijn geweest betrokkenen als appellant in aanmerking te laten komen voor een Aanvulling werkgever gezien de op hen van toepassing zijnde gunstige uitstroombevorderende maatregel. Voorts acht appellant een dergelijke toekenning van de Aanvulling werkgever aan appellant kennelijk onredelijk.

4.2.4. Daargelaten de - tussen partijen in geschil zijnde - vraag of en in hoeverre appellant indien hem de Aanvulling werkgever zou worden toegekend onredelijk bevoordeeld zou worden ten opzichte van ambtenaren die geen gebruik hebben gemaakt van de uitstroombevorderende maatregel op grond van het sociaal plan maar die wel in aanmerking komen voor de Aanvulling werkgever, ziet de Raad het hier aan de orde zijnde argument van gedaagde geen doel treffen. In de onder 4.2.3. genoemde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat een redelijke interpretatie van de CAR meebrengt dat een in die regeling voorkomend voorschrift, dat naar zijn bewoordingen niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, in een bepaald geval als een misslag van de regelgever moest worden gezien, op grond van wetshistorische en redelijkheidsgronden en op grond van de bedoeling van de regelgever. In het onderhavige geval levert noch een redelijke interpretatie van enige bepaling van de CAR, noch de wetsgeschiedenis van artikel 5a:1 van de CAR enig aanknopingspunt op om een bedoeling van de regelgever aan te nemen als door appellant bepleit, zodat er geen aanleiding is hier een misslag aanwezig te achten als waarvan in de vermelde uitspraak sprake was.

5. De Raad komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden wegens strijd met artikel 5a:1 van de CAR. Dat besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond is verklaard moet worden vernietigd.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, totaal € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2002 gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 oktober 2002;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg;

Bepaalt dat het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.