Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
02/1823 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Politieambtenaar. Ongeschiktheidsontslag, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 94, geldigheid: 2004-01-22
Besluit algemene rechtspositie politie 94, geldigheid: 2004-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/86

Uitspraak

02/1823 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 februari 2002, nr. AWB 00-8626 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 december 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door A.J. Hamming, wonende te De Bilt. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. van Tunen, werkzaam bij de politieregio [politieregio] (hierna: de politieregio).

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, hoofdagent bij de politieregio, is bij besluit van 8 september 1998 strafontslag verleend wegens plichtsverzuim bestaande uit mishandeling van zijn toenmalige vriendin H. en uit fysiek geweld op 8 mei 1998 jegens twee van zijn collega's in de uitoefening van hun functie. Nadat dit besluit door de president van de rechtbank Haarlem was geschorst, heeft gedaagde bij brief van 7 juni 1999 het strafontslag omgezet in voorwaardelijk strafontslag en tevens het voornemen kenbaar gemaakt appellant wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken ontslag te verlenen omdat hij zich opnieuw aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt. Bij brieven van 22 november 1999 is het voorwaardelijk strafontslag ingetrokken en is het voornemen tot ongeschiktheidsontslag verder onderbouwd.

1.2. Bij besluit van 7 januari 2000 is appellant overeenkomstig dit voornemen, op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), ontslag verleend omdat hij niet langer over de noodzakelijke eigenschappen inzake betrouwbaarheid, integriteit en geloofwaardigheid beschikt om zijn functie op juiste wijze te kunnen uitoefenen, gelet op de volgende gedragingen:

a. op 8 mei 1998 heeft appellant H. mishandeld en daarna twee te hulp geroepen collega's fysiek bedreigd; appellant was in 1997 al terzake van soortgelijke incidenten in 1996 en 1997 gewaarschuwd;

b. op 27 februari 1999 heeft appellant tweemaal gepoogd onder een valse naam telefonisch bij de centrale meldkamer informatie omtrent H. te verkrijgen;

c. appellant heeft H. na het einde van hun relatie enkele maanden lang via onder meer 54 faxberichten gepoogd te benaderen, hoewel hem bekend was dat zij daarvan niet gediend was (stalken).

1.3. Appellants bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2000 is bij het thans bestreden besluit van 1 oktober 2000 ongegrond verklaard.

2. Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad is op grond van de gedingstukken van oordeel dat de in 1.2., onder a, b en c, vermelde gedragingen voldoende vaststaan. Hetgeen appellant terzake aanvoert kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

4. Appellant stelt voorts dat de in 1.2., onder a, b en c, vermelde gedragingen ook daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag konden worden gelegd, nu de incidenten van 8 mei 1998 al door middel van het voorwaardelijk ontslag waren afgedaan, die incidenten en het stalken zich geheel binnen de privésfeer hebben afgespeeld en het opgeven van een valse naam aan de centrale meldkamer in een opwelling heeft plaatsgevonden.

4.1. De Raad kan de opvatting van appellant niet onderschrijven.

4.1.1. Gedaagde heeft het verwijt inzake de incidenten van 8 mei 1998 zowel bij het omzetten van strafontslag in voorwaardelijk strafontslag als bij het intrekken van het voorwaardelijk strafontslag gehandhaafd. De omstandigheid dat bedoeld verwijt aan het strafontslag en het voorwaardelijk strafontslag ten grondslag was gelegd, belette gedaagde geenszins zijn oordeel over appellants geschiktheid voor zijn functie mede op dat verwijt te baseren.

4.1.2. De incidenten van 8 mei 1998 hebben zich deels buitenshuis afgespeeld, waarvan enkele omstanders getuige waren, zodat ze in zoverre niet slechts in de privésfeer hebben plaatsgevonden. Voorts hadden die incidenten ook voorzover ze wel binnenshuis hebben plaatsgevonden, een zodanige weerslag op appellants functioneren als politieambtenaar dat gedaagde ze bij zijn oordeel over appellants geschiktheid voor zijn functie kon betrekken. Hetzelfde geldt voor de in 1.2., onder c, vermelde gedragingen.

4.1.3. Dat het gebruik van een valse naam in de telefoongesprekken met de centrale meldkamer slechts in een opwelling geschiedde, acht de Raad ongeloofwaardig, temeer nu dit twee keer is geschied en appellant de tweede keer een andere valse naam heeft gebezigd. Overigens, indien dit wel slechts in een opwelling geschiedde, zou gedaagde dit gedrag van appellant evenzeer bij het oordeel over diens geschiktheid voor zijn functie hebben mogen betrekken.

5. Appellant meent dat gedaagde de hem verweten gedragingen ook daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen, nu die gedragingen hem gelet op het rapport van 8 januari 1999 van de psychiater Van Loenen en de psycholoog Ameling en het rapport van 13 november 2000 van de gezondheidszorgpsychologen Poelstra en Lancée niet ten volle zijn toe te rekenen.

5.1. Ook hierin kan de Raad appellant niet volgen.

5.1.1. Van Loenen en Ameling, die melden geen psychiatrische stoornis te zien, menen dat de incidenten van 8 mei 1998 appellant niet ten volle zijn toe te rekenen nu hij door een stapeling van gebeurtenissen uit het verleden vermengd met actuele gebeurtenissen in een opwindingstoestand was geraakt. Poelstra en Lancée concluderen dat appellant sinds het eerste incident in een negatieve spiraal terechtgekomen is, waarin hij steeds meer ankerpunten en de grip op zijn leven is kwijtgeraakt zonder dat er bij voortduring van verminderde toerekeningsvatbaarheid sprake is geweest; zij stellen niet te kunnen beoordelen of appellant op termijn weer als politieambtenaar zal kunnen terugkeren.

5.1.2. Aan de conclusie van Van Loenen en Ameling kan de Raad niet het gevolg verbinden dat gedaagde de gedragingen van 8 mei 1998 bij het vormen van zijn oordeel over appellants geschiktheid voor het vervullen van zijn functie buiten beschouwing had dienen te laten. Gedaagde behoefde de aan appellant verweten gedragingen van 1996 en 1997 of zijn gedragingen als vermeld in 1.2., onder b en c, te minder buiten beschouwing te laten, nu ten aanzien van deze gedragingen noch uit het rapport van Van Loenen en Ameling noch uit dat van Poelstra en Lancée blijkt dat ze hem niet ten volle zijn toe te rekenen.

6. De Raad is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat appellant gelet op de in 1.2., onder a, b en c, vermelde gedragingen en het voortgaande karakter daarvan niet over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt. Gedaagdes conclusie dat appellant ongeschikt, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, is voor zijn functie berust dan ook op goede gronden. Derhalve was gedaagde bevoegd appellant te ontslaan.

7. De Raad ziet geen gronden te oordelen dat gedaagde zijn ontslagbevoegdheid niet in redelijkheid heeft kunnen gebruiken of bij het gebruik van die bevoegdheid anderszins in strijd met het recht heeft gehandeld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant bij voortduring zichzelf niet in de hand weet te houden waardoor er geen vertrouwen meer is dat hij de functie van politieambtenaar op adequate wijze zal kunnen vervullen.

8. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd. De Raad ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.