Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
02/1681 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ziekte. Onderzoek naar passende dan wel gangbare arbeid binnen de organisatie. Ontslagvergoeding. Informatieverstrekking over vrijwillig verzekeren tegen (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid na afschaffing wachtgeldregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/56

Uitspraak

02/1681 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 januari 2002, nr. AWB 01/613, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens partijen zijn nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.M. Bruinsma, advocaat te Tilburg. Gedaagden hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, geboren [in] 1943, heeft na een werkkring vanaf 1970 bij het Ministerie van Onderwijs, vanaf 1978 diverse functies bij de provincie Noord-Brabant vervuld, aanvankelijk als [naam functie 1] van de afdeling [naam afdeling], laatstelijk als [naam functie 2] bij het bureau [naam bureau]. In verband met hartproblemen heeft appellant vanaf 11 juni 1998 deze laatste functie niet meer kunnen uitoefenen. Omdat terugkeer naar die functie medisch niet aangewezen was, is hij per 1 juli 1999 boven de sterkte geplaatst. Aan appellant is per 10 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

1.2. Gedaagden hebben appellant bij brief van 14 april 2000 meegedeeld voornemens te zijn hem met toepassing van artikel J8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Ambtenarenreglement provincie Noord-Brabant 1993 (hierna: Ar) per 11 juni 2000 eervol ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

1.3. In zijn reactie hierop heeft appellant gedaagden primair verzocht van ontslag af te zien, omdat geen zorgvuldig onderzoek was ingesteld naar de mogelijkheid hem in overeenstemming met zijn restcapaciteit in een passende functie te werk te stellen en hem wel degelijk een dergelijke functie kon worden aangeboden mits voldaan werd aan de randvoorwaarde dat de werkzaamheden vanwege zijn tengevolge van het werk verminderde stressbestendigheid, beperkte spankracht en fysieke klachten buiten de ambtelijke organisatie van het provinciehuis konden worden verricht. Subsidiair, ingeval gedaagden wel tot ontslagverlening zouden overgaan, verzocht appellant hun als goed werkgever de financiële schade te vergoeden die hij door het ontslag zou lijden. Hij wees er in dit verband op dat hij als gevolg van de afschaffing van de wachtgeldregeling, na ontslag naast zijn gedeeltelijke WAO-uitkering van 50,75% van zijn bezoldiging slechts 66 maanden suppletieuitkering zou ontvangen. Daardoor zou zijn inkomen 33 maanden 80% en vervolgens 33 maanden 70% van zijn bezoldiging bedragen. Gedurende de ongeveer drie jaar die daarna nog tot zijn pensioengerechtigde leeftijd resteerden, zou hij terugvallen op zijn WAO-uitkering en tevens maar gedeeltelijk pensioen opbouwen.

1.4. Bij besluit van 22 augustus 2000 hebben gedaagden appellant per 1 december 2000 op grond van artikel J8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Ar, ontslag verleend nu het niet mogelijk was gebleken appellant binnen de organisatie van de provincie andere arbeid aan te bieden. Voor een vergoeding als door appellant bedoeld zagen zij geen grond, temeer nu zij het personeel in 1995 hadden geïnformeerd over de financiële risico's bij arbeidsongeschiktheid en daarbij gewezen hadden op de mogelijkheid zich terzake te verzekeren.

1.5. In bezwaar heeft appellant zijn standpunten gehandhaafd en betoogd dat hij, nu hij destijds niet goed wist wat hij met de vanwege gedaagden gegeven informatie over de mogelijkheid van bijverzekeren moest doen, zich telefonisch tot W. van de afdeling Personeel en Organisatie had gewend. Overeenkomstig het in dat gesprek gegeven advies had hij zich alleen tegen het risico van volledige arbeidsongeschiktheid verzekerd.

1.6. Bij het bestreden besluit van 30 januari 2001 hebben gedaagden het bezwaar ongegrond verklaard en onder meer overwogen dat appellant er zelf onvoldoende voor had gezorgd zich op adequate wijze te verzekeren.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep handhaaft appellant zijn primaire en subsidiaire standpunten.

4. Met betrekking tot zijn primaire standpunt dat geen ontslag had mogen plaatsvinden, brengt appellant in essentie twee stellingen naar voren.

4.1. Ten eerste stelt hij dat zowel uit artikel J8 van het Ar als uit de algemene beginselen van bestuur voortvloeit dat gedaagden mede dienden te onderzoeken of hem buiten de reguliere provinciale ambtelijke organisatie arbeid kon worden aangeboden. Hij wijst er op dat hij al in het najaar van 1998 de mogelijkheid heeft besproken in het kader van zijn restcapaciteit bestuurlijk-adviserende werkzaamheden voor de provincie te verrichten bij aan de provincie gelieerde organisaties op economisch, internationaal en/of cultureel terrein, mits voldaan zou worden aan de onder 1.3. vermelde randvoorwaarde. Hij is thans van mening dat ook een adviseurs- of staffunctie binnen het provinciehuis in de luwte van de provinciale organisatie geschikt zou zijn, mits aan de randvoorwaarde is voldaan. Bij wijze van voorbeeld wijst appellant er op dat gedaagden in 2001 een voormalig wethouder enige maanden met bestuurlijke advisering van de gedeputeerde voor cultuur hebben belast. Die taak had ook aan appellant opgedragen kunnen worden.

Ten tweede is appellant van mening dat hij ten onrechte niet bij het door gedaagden in te stellen onderzoek is betrokken.

4.2. De Raad stelt vast dat ingevolge artikel J8a van het Ar ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte slechts kan plaatsvinden als (onder meer) het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de organisatie van de provincie passende dan wel gangbare arbeid op te dragen. Bij dat onderzoek dient de ambtenaar in beginsel te worden betrokken.

4.3. Van belang is dat appellant vanaf eind 1998 met zijn leidinggevende

enkele gesprekken heeft gevoerd over de mogelijkheden voor zijn toekomst bij de provincie, zodat niet gezegd kan worden dat appellant niet betrokken is bij het onderzoek van gedaagde. De Raad is verder van oordeel dat er, gelet op de onlosmakelijk met de ambtelijke situatie samenhangende medische beperkingen van appellant, binnen de organisatie van de provincie geen ambtelijke functies voor appellant beschikbaar waren of geschikt te maken waren. Gedaagden waren voorts noch op grond van artikel J8a van het Ar noch op andere grond gehouden een functie buiten de organisatie van de provincie te zoeken. Derhalve berust het oordeel van gedaagden dat het niet mogelijk was andere arbeid aan te bieden, op voldoende gronden.

4.4. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat ook aan de overige voorwaarden van artikel J8a, eerste lid, van het Ar was voldaan, waren gedaagden bevoegd appellant ontslag te verlenen.

5. Appellants subsidiaire standpunt komt neer op de opvatting dat ontslag slechts mogelijk was onder toekenning van een gelet op de omstandigheden redelijk te achten ontslagvergoeding. Hij voert daarvoor drie gronden aan.

5.1. Ten eerste acht hij het een anomalie dat het Ar ingeval van ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte niet in de mogelijkheid van een dergelijke vergoeding voorziet, terwijl artikel J10 van het Ar ingeval van ontslag wegens bijvoorbeeld onverenigbaarheid van karakters daarin wel voorziet. De Raad acht deze ontslaggronden zo verschillend dat niet gezegd kan worden dat aan de keuze van de regelgever om ingeval van ontslag wegens ziekte niet in een ontslagvergoeding te voorzien, zodanige gebreken kleven dat de onderhavige weigering van een ontslagvergoeding reeds daardoor op een ondeugdelijke grondslag berust.

5.2. Ten tweede stelt appellant dat gedaagden wegens voortschrijdende harmonisatie van de rechtsposities van ambtenaren en werknemers naar burgerlijk recht in aansluiting bij de kantonrechtersformule een ontslagvergoeding had dienen te toe kennen. Ook deze stelling geeft in het licht van de in 5.1. bedoelde keuze van de regelgever onvoldoende grond appellants subsidiaire standpunt te onderschrijven.

5.3. Appellants subsidiaire standpunt komt voor het overige neer op de opvatting dat gedaagden bij het bestreden besluit ten onrechte niet hebben betrokken de omstandigheid dat hij door het ontslag financieel nadeel ondervindt, hetgeen mede het gevolg is van tekortschietende informatievoorziening van gedaagden.

5.4. Appellant stelt dat hij er in september 1995 overeenkomstig informatie die verstrekt was in een toen verspreide circulaire inzake het IP Aanvullings Plan (kenmerk HD, afdeling ICA/ADMIZR) en in een daaropvolgend telefoongesprek met W. van de afdeling Personeel en Organisatie, mee had volstaan zich tegen het risico van volledige arbeidsongeschiktheid te verzekeren. In de circulaire was vermeld dat het voor iemand die 50 jaar of ouder is en tevens 10 jaar in dienst is bij de (semi)overheid, "zolang de huidige wachtgeldregeling nog bestaat niet nodig is" zich tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Gelet op de wijziging in de regelgeving had hij zich achteraf bezien ook tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid moeten verzekeren. Appellant verwijt gedaagden dat zij hem in 1995 onjuist hebben geadviseerd en hem ook later ten tijde van bedoelde afschaffing niet nader hebben geïnformeerd.

5.5. Gedaagden stellen hiertegenover dat zij in 1995 mede informatie hebben verstrekt via bijlage nr. 18 bij het PIB (personeelsblad) van 7 september 1995 en via een in november/december 1995 verspreide "Belangrijke mededeling." Daarin is vermeld dat het belangrijk is dat de medewerkers zich mede verzekeren tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid nu de arbeidsongeschiktheidsuitkering in dit geval zal liggen tussen 17% en 50% van de laatstgenoten bezoldiging. Voorts wijzen gedaagden er op, dat W. op de hoorzitting in bezwaar heeft gesteld dat hij in het najaar van 1995 in de vele telefoongesprekken die hij over deze kwestie had gevoerd, placht aan te raden ook het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te verzekeren en het daarom onwaarschijnlijk te achten dat hij appellant iets anders zou hebben aangeraden. Gedaagden hebben in dat verband tevens onweersproken gesteld dat de meeste andere medewerkers zich tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid hebben verzekerd.

5.6. De Raad overweegt met betrekking tot de onder 5.3. tot en met 5.5. weergegeven standpunten van partijen als volgt.

5.6.1. Appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat W. hem in het in september 1995 gevoerde telefoongesprek geadviseerd heeft zich slechts tegen het risico van volledige arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Voorts laat de Raad de "Belangrijke mededeling" vermeld onder 5.5. buiten beschouwing nu gedaagden appellants stelling dat dit stuk niet is verspreid, niet hebben kunnen weerleggen.

5.6.2. Met betrekking tot de mededeling in de circulaire van september 1995, dat het voor de daar omschreven personen "zolang de huidige wachtgeldregeling nog bestaat niet nodig" was zich tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te verzekeren, stelt appellant niet dat deze onjuist was. Maar kennelijk wil hij betogen dat gedaagden hem er in 1995 voor hadden moeten waarschuwen dat er ingeval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een aanzienlijk inkomensnadeel zou (kunnen) ontstaan vanaf het tijdstip waarop de geldende wachtgeldregeling niet langer zou bestaan.

5.6.3. De Raad kan appellant hierin niet volgen, in aanmerking genomen dat in voormelde - eveneens door appellant ontvangen - bijlage bij het personeelsblad van 7 september 1995 uitdrukkelijk gewezen is op het belang zich op basis van het IP Aanvullings Plan ook tegen het risico van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Dat dit laatste in die bijlage niet in verbinding is gebracht met (afschaffing van) de wachtgeldregeling, doet niet aan af aan het feit dat appellant is gewaarschuwd. Nu deze waarschuwing niet overeenstemde met de mededeling in de circulaire van eveneens september 1995, was er voor appellant aanleiding zich grondiger op de hoogte te stellen dan te volstaan met een telefonische vraag aan voormelde W. Dit geldt temeer gezien de niet optimale toestand van appellants gezondheid, die ook blijkt uit zijn in hoger beroep herhaalde mededeling dat hij verwachtte dat een aanvraag zijnerzijds voor een verzekering tegen gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet geaccepteerd zou worden wegens de antwoorden die hij gezien zijn kwetsbare gezondheid zou moeten geven op de gezondheidsvragen in het aanvraagformulier.

5.7. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat in de situatie van appellant geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat gedaagde redelijkerwijs gehouden was om bij de gebruikmaking van de ontslagvergoeding een financiële vergoeding aan appellant te verstrekken.

6. Nu het bestreden besluit gelet op al het vorenoverwogene standhoudt, wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad ziet geen grond voor een proceskosten-veroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.