Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
01/3499 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het onderhavige geval voldoet aan de vereisten voor premievermindering. Het bestreden besluit is echter gebaseerd op een met ingang van 28 april 1997 toegekende uitkering zodat de regeling voor premievermindering hierop niet van toepassing is.

Wetsverwijzingen
Besluit premiedifferentiatie WAO 6, geldigheid: 2004-01-22
Besluit premiedifferentiatie WAO 10, geldigheid: 2004-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/98

Uitspraak

01/3499 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 27 april 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 24 november 1999, waarbij hij voor het premiejaar 2000 als kleine werkgever is aangemerkt en waarbij de door hem verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO voor het premiejaar 2000 is vastgesteld op 4,17% (maximumpremie).

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 8 mei 2001 het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 27 april 2000 ongegrond verklaard.

Appellant is op bij het beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Ten gevolge van een auto-ongeval is een werknemer van appellant op 29 april 1996 arbeidsongeschikt geworden. Appellant heeft gedurende 52 weken het loon van de werknemer doorbetaald. Appellant heeft met succes de bij het ongeval betrokken autobestuurder aangesproken, in die zin dat de schadeverzekeraar van de autobestuurder het door appellant gedurende 52 weken aan de werknemer doorbetaalde nettoloon aan appellant heeft vergoed.

Na ommekomst van de wachttijd van 52 weken heeft gedaagde aan de betreffende werknemer met ingang van 28 april 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Gedaagde heeft, op basis van de uit hoofde van deze toekenning in het jaar 1998 betaalde uitkering, de door appellant voor het premiejaar 2000 verschuldigde gedifferentieerde WAO-premie vastgesteld op de maximumpremie.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

De Raad begrijpt uit appellants stellingen dat deze met name bezwaar heeft tegen het feit dat gedaagde bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van regres van gedaagde op de schadeveroorzaker. Daarbij wijst appellant er op dat hem, als niet eigenrisicodrager, geen regresrecht toekomt. Appellant heeft voorts gewezen op het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 maart 2002, Stb. 2002 nr. 138 (Besluit regres en premievermindering WAO), waarbij een door appellant in de onderhavige zaak bepleite regeling voor premievermindering na ontvangst van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, werd opgenomen in artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO.

Ingevolge deze regeling krijgen niet eigenrisicodragende werkgevers die zelf regres hebben genomen voor de loondoorbetalingsverplichting in het eerste ziektejaar een premievermindering op de gedifferentieerde premie. Uit de nota van toelichting bij het Besluit regres en premievermindering WAO volgt dat aan deze regeling de gedachte ten grondslag ligt dat het als onbillijk wordt ervaren dat, als gedaagde de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 90, eerste lid, van de WAO kan verhalen op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde schadeplichtig is, de werkgevers niettemin een premie-opslag moeten betalen. Ingevolge het bij het Besluit regres en premievermindering WAO aan artikel 10 van het Besluit premiedifferentiatie WAO toegevoegde achtste lid is de door appellant bedoelde regeling voor premievermindering uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde ingaat op of na 1 januari 2002.

Nu in de onderhavige zaak het bestreden besluit is gebaseerd op een met ingang van 28 april 1997 toegekende uitkering, is de bedoelde regeling in het onderhavige geval naar het oordeel van de Raad niet van toepassing. Uit de nota van toelichting bij het Besluit regres en premievermindering WAO blijkt dat de Staatssecretaris aan het besluit geen verdergaande terugwerkende kracht heeft willen verbinden, zoals ook appellant zelf naar aanleiding van bij de Staatssecretaris ingewonnen informatie heeft begrepen. Ten tijde hier in geding biedt het samenstel van wettelijke bepalingen, waaronder begrepen het Besluit premiedifferentiatie WAO, derhalve geen ruimte om de gedifferentieerde premie te verlagen wegens mogelijk verhaal van gedaagde op de voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke derde.

Appellant heeft in het licht van het voorgaande voorts om toetsing van de wet Pemba aan de Europese wet- en regelgeving verzocht. Nog daargelaten dat appellant niet nader heeft gepreciseerd in welk opzicht sprake zou zijn van schending van in de Europese wet- en regelgeving neergelegde normen, ziet de Raad geen aanleiding het bestreden besluit in strijd te achten met toepasselijke supranationale bepalingen en om die reden voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat het besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt op de enkele grond dat dit gebaseerd is op door appellant als onrechtvaardig ervaren nationale regelgeving.

Tot slot overweegt de Raad naar aanleiding van appellants stelling, dat sprake is van ongelijke behandeling nu hem als omslaglid, anders dan aan de eigenrisicodragende werkgevers en gedaagde, geen regresrecht toekomt, dat hiervan geen sprake is, reeds omdat omslagleden geen betalingen verrichten die voor verhaal in aanmerking komen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) R.C. Schoemaker

(get.) A. Kovács

MvK20014