Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
02/5389 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar niet beoordeeld door rechtbank. Afwijzing verzoek om functie-onderhoud. Proceskostenveroordeling: wegingsfactor; vermindering van proceskosten bij gedeeltelijk in het gelijkstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5389 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 augustus 2002, nr. Awb 01-227 AW H V67 G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. van Tunen en mr. J. Nijland, beiden werkzaam bij de politieregio Kennemerland.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de door de rechtbank tussen partijen gegeven uitspraak van 15 november 2000, nr. AWB 99-9697 AW H V58 G14 K1 alsmede naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam als senior projectleider tactische recherche, welke functie op het niveau van salarisschaal 10 is gewaardeerd. Bij brief van 20 april 1997 heeft appellant bij gedaagde een verzoek ingediend strekkend tot het plegen van functie-onderhoud. Appellant is van mening dat de feitelijke werkzaamheden die hij toen als projectleider in het sedert 1993 lopende X-onderzoek verrichtte ertoe leiden dat de door hem uitgeoefen-de functie op de naasthogere salarisschaal dient te worden gewaardeerd. Hij stelt in het bijzonder dat hij de strategie in dat opsporingsonderzoek medebepaalde. Daarbij ver-gelijkt appellant de werkzaamheden die hij stelt te verrichten met die van de referentie-functie "unithoofd recherche zware criminaliteit". Het voldoen aan de functie-inhoud van deze referentiefunctie, die als niveaubepalend element heeft "bepaling strategie van aanpak bestrijding criminaliteitsnetwerken", leidt tot indeling in salarisschaal 11.

1.2. Op appellants verzoek is afwijzend beslist, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd. Dit besluit op bezwaar is door de rechtbank vernietigd bij de in 1. vermelde uitspraak van 15 november 2000. In die uitspraak heeft de rechtbank gedaagde opgedragen een nieuwe beslissing op appellants bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Op 31 januari 2001 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Bij besluit van 19 juni 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde appellants bezwaar wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde de afwijzing van het verzoek om functie-onderhoud gehandhaafd onder overweging dat geen van appellants chefs gedurende het X-onderzoek appellant heeft opgedragen om in het kader van dat onderzoek verantwoordelijkheid te dragen voor, dan wel te participeren in de beleidsmatige strategische besluitvorming, noch om enige andere buiten de beschrijving van zijn functie vallende activiteit van strategische of andere aard uit te voeren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2001 ongegrond verklaard. Zij heeft voorts geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

3. Naar aanleiding van hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd stelt de Raad in de eerste plaats vast dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Weliswaar heeft appellant, nu gedaagde nadien alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen waartegen zijn beroep mede geacht wordt te zijn gericht, geen belang meer bij een oordeel over eerstgenoemd beroep, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, een proceskostenveroordeling had behoren uit te spreken. Vast staat immers dat ten tijde van het instellen van dat beroep de termijn waarbinnen gedaagde een beslissing op het gemaakte bezwaar had moeten geven, was overschreden, zodat appellant terecht beroep heeft ingesteld. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen voorzover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad dat beroep niet-ontvankelijk verklaren en een proceskostenveroordeling uitspreken. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn beperkt gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift.

4. De vraag of de rechtbank gevolgd kan worden in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt beantwoordt de Raad bevestigend.

4.1. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen.

4.2. Appellant stelt ook in hoger beroep dat gedaagde miskent dat hij de strategie medebepaalde terzake van de aanpak van zware criminaliteit. Hij betoogt dat uit de werkzaamheden die hij in het X-onderzoek verrichtte duidelijk blijkt dat hij in zijn functie wel degelijk het strategisch beleid mede bepaalt. Gedaagde is de mening toegedaan dat appellant niet het strategisch beleid in het X-onderzoek mede heeft bepaald. Hij had als projectleider wel een adviserende rol daarbij maar de strategische beslissingen werden genomen door anderen. Appellants functie was beperkt tot de dagelijkse leiding van het onderzoek en had een uitvoerend karakter.

4.3. De Raad stelt vast dat er in de gedingstukken geen enkele aanwijzing voor is te vinden dat appellant uitdrukkelijk is opgedragen werkzaamheden te verrichten die kunnen worden gekarakteriseerd als het medebepalen van het strategisch beleid inzake zware criminaliteit op grond waarvan tot het oordeel zou kunnen worden gekomen dat die werkzaamheden wezenlijk afwijken van appellants functie.

4.4. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de gedingstukken voorts onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van de zienswijze van appellant dat hij die werkzaamheden feitelijk wel verrichtte. Uit het verslag van het X-onderzoek zelf, een wetenschappelijke case-study daarvan noch uit de verslagen en notities met betrekking tot vergaderingen en andere activiteiten waaraan appellant in het kader van dat onderzoek deelnam komt het beeld naar voren van appellant als een functionaris die het strategisch beleid mede bepaalde. Voorts heeft appellants directe chef in het X-onderzoek appellants opvatting hieromtrent in stellige bewoordingen weersproken. In het in hoger beroep door appellant overgelegde schrijven van dr. H, die de vermelde case-study heeft verricht kan de Raad evenmin een aanwijzing zien ten gunste van appellants standpunt. Die brief vermeldt onder meer dat de rol van de projectleider niet als knelpunt naar voren is gekomen en dat die rol geen bijzonder aandachtspunt is in het rapport van dr. H. Voorts wordt melding gemaakt van conflicten en belangentegenstellingen waarbij appellant als projectleider getracht heeft de leiding te behouden over de uitvoering van het onderzoek en door rapportage en dat hij getracht heeft door deelname aan een bepaald overleg de strategische besluitvorming te beïnvloeden. De Raad ziet in dit schrijven een bevestiging van gedaagdes standpunt dat appellants werkzaamheden voornamelijk in de uitvoerende en coördinerende sfeer lagen.

5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep voorzover betrekking hebbend op het bestreden besluit van 19 juni 2001 niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van gedaagde in de proceskosten met betrekking tot het bestreden besluit.

7. Gelet op hetgeen onder 3. is overwogen kent de Raad aan het instellen van het beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit de wegingsfactor "zeer licht" (0,25) toe. Dit leidt tot een veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van 0,25 x € 322,- = € 80,50. Voorts veroordeelt de Raad gedaagde tot betaling van de proceskosten van appellant in hoger beroep. Nu appellant slechts op een ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld stelt de Raad, onder toepassing van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het bedrag van de proceskosten vast op een bedrag van € 161,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op het bezwaar van 27 mei 1998;

Verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 241,50, te betalen door de politieregio Kennemerland;

Bepaalt dat de politieregio Kennemerland het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2004.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.G.J. Broekhuizen.

HD

15.12

Q