Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
02/4162 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering naar reorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4162 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (O), appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 juni 2002, nr. 01/973 AW Z1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. J. Werlich, werkzaam bij Cap Gemini Ernst & Young Nederland BV, en

R.A.M. Vroom-Scholten, werkzaam bij de gemeente Almelo.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, voorheen sectiechef woningsubsidies en woningtoezicht bij de gemeente Almelo was na een reorganisatie sedert 1 juni 1998 werkzaam als productgroepmanager woningsubsidies en woningtoezicht bij de dienst Stadswerk, afdeling wonen, van de gemeente Almelo. Bij besluit van 1 mei 2001 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van de waardering van zijn functie op 60 punten, resulterend in de (ongewijzigde) functionele eindrang salarisschaal 11. Na bezwaar heeft gedaagde dit besluit bij het in geding zijnde besluit van 1 november 2001 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit op bezwaar bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de eerst ter zitting aangevoerde bezwaren tegen de waardering van het gezichtpunt kennis, uit een oogpunt van behoorlijke procesvoering buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank is voor het overige tot het oordeel gekomen dat de waardering niet op onvoldoende gronden berust.

3. In het hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad heeft appellant verzocht om zijn bezwaren tegen de waardering van het aspect kennis wèl in de beoordeling te betrekken, nu dit aspect van cruciaal belang is bij de totale puntenscore. Ten aanzien van het gezichtspunt leidinggeven heeft appellant zijn bezwaar gehandhaafd dat het nieuw ingevoerde integraal management niet is meegewogen. Ten aanzien van het gezichtspunt contacten heeft appellant aangevoerd dat zijn contacten met projectontwikkelaars, woningcorporaties, nutsbedrijven en dergelijke bijna altijd om geld gaan, waarbij er sprake is van belangentegenstellingen, zodat deze contacten controversieel van aard zijn. Appellant acht het in het algemeen onbegrijpelijk dat de onmiskenbare verzwaring van zijn functie als gevolg van invoering van integraal management niet tot indeling in een hogere schaal heeft geleid.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt evenals de rechtbank voorop dat de rechterlijke toetsing in een geval als dit een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

4.2. De functie van appellant is gewaardeerd volgens de zogenoemde Integrale methode voor functiewaardering van de gemeente Almelo.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank de eerst ter zitting naar voren gebrachte bezwaren tegen de gradering van het gezichtspunt kennis, terecht niet in de beoordeling heeft betrokken. Appellant heeft in de bezwaarfase uitsluitend grieven naar voren gebracht tegen de gradering van de aspecten leidinggeven en contacten. Naar uit het gespreksverslag van

5 oktober 2001 en het advies van de bezwarencommissie Algemene Rechtspositionele Aangelegenheden, Kamer functiewaardering, blijkt, heeft heroverweging van de gradering op het gezichtspunt kennis (daarom) ook niet plaatsgevonden en behoefde ook niet plaats te vinden.

4.3. De Raad onderschrijft ook overigens de aangevallen uitspraak en de overwegingen die de rechtbank tot haar uitspraak hebben geleid.

Met betrekking tot het gezichtspunt leiddinggeven merkt de Raad nog op dat in het functieprofiel tot uitdrukking is gebracht dat appellant de productgroep leidt op basis van integraal management en dat (daarom) bij de gradering is gekozen voor de hoogst mogelijke ingang, namelijk volledige beïnvloeding met weinig of geen steun van hogere chefs. Gezien het feit dat appellant aan (slechts) 5 mensen leiding geeft, kan niet gezegd worden dat die gradering op onvoldoende gronden berust.

4.4. Ook wat betreft het gezichtspunt contacten onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank. De Raad merkt op dat ook bij die gradering is gekozen voor de zwaarste ingang, te weten dat de aard van de beïnvloeding inhoudt het overtuigen van anderen, het omvormen van de meningen van anderen tot eigen opvattingen op een zodanige wijze dat de anderen op die basis gaan werken. Hetgeen appellant ter zitting heeft aangevoerd omtrent de aard van zijn contacten met onder meer projectontwikkelaars, woningbouwverenigingen, aannemers en nutsbedrijven - het ging bij die contacten volgens appellant altijd om geld, hij moest o.a. overleg met partijen voeren, uitmondend in bijvoorbeeld convenanten en moest erop toezien dat de overeengekomen kwaliteit daadwerkelijk werd geleverd - heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat daarbij zo regelmatig sprake was van controversiële contacten dat de kwalificering van deze contacten als kritisch opbouwend tegenspel in een tegengestelde sfeer en de gradering met 8 punten, op onvoldoende gronden berust.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.