Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2004
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
00/5506 AW en 00/5507 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5506 AW en 00/5507 AW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 september 1997, nr. 96/1564 AW en 96/1565 AW (hierna ook: de uitspraak van de Raad).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verzoeker heeft bij brief van 16 oktober 2000 verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens de Staatssecretaris van Financiën, in die uitspraak en hierna aangeduid als gedaagde, is op het verzoekschrift gereageerd.

Bij brieven van 29 januari 2001 en 16 januari 2003 heeft verzoeker hierop nog een reactie gegeven en nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 december 2003, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Namens gedaagde is verschenen L.P. de Jonge, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. MOTIVERING

1.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als in artikel 8:88 van de Awb bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

2. Bij de onherroepelijk geworden uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 1995, nr. AW 1993/442-F1 en AW 1993/441-F1 bevestigd.

Bij deze laatste uitspraak was ongegrond verklaard verzoekers beroep tegen de besluiten van 4 oktober 1993, waarbij gedaagde zijn besluiten van 28 april 1993 en 4 mei 1993 na bezwaar heeft gehandhaafd. Bij het besluit van 28 april 1993 heeft gedaagde verzoeker afgewezen voor de functie van [naam functie] arbeidsrecht bij de afdeling P&O van de Directie Douane, op welke functie verzoeker had gesolliciteerd. Bij het besluit van 4 mei 1993 heeft gedaagde verzoeker bericht dat het niet mogelijk was gebleken hem binnen het douanedistrict Rotterdam dan wel elders te benoemen in een functie op een niveau gelijk aan dat van arbeidsjurist in hoofdgroep V, niveau b, schaal 11 en dat een functie op het niveau IV f, schaal 11, voor hem als passend moet worden aangemerkt.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, die de Raad aanleiding geven over te gaan tot herziening van zijn uitspraak. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Verzoeker heeft in hoofdzaak als nieuw feit aangevoerd dat het hem niet bekend was dat bij de vervulling van de vacature voor de voornoemde functie door gedaagde de voorkeur is gegeven aan een externe kandidaat. Ook de rechtbank zou naar verzoekers mening anders hebben geoordeeld als zij ten tijde van de uitspraak bekend zou zijn geweest met dit gegeven.

3.2. Naar het oordeel van de Raad behelst dit argument van verzoeker - wat er overigens van zij - geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als hiervóór bedoeld. Het gaat hier immers om een gegeven dat verzoeker redelijkerwijs reeds vóór de uitspraken van de rechtbank en de Raad had kunnen achterhalen en in de toenmalige procedure naar voren had kunnen brengen.

3.3. Hetgeen verzoeker verder nog ter ondersteuning van het verzoek om herziening heeft aangevoerd, kan om dezelfde reden geen doel treffen. Het betreft ook hier feiten en omstandigheden die verzoeker reeds ten tijde van de oorspronkelijke procedure bekend hadden kunnen zijn en die door hem destijds als beroepsgrond hadden kunnen worden aangevoerd.

3.4. Derhalve moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

06.01