Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BZ0484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
01/2085 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/2085 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 februari 2001, nr. AWB 99/5999 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van gedaagde nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2003, waar appellant in persoon is verschenen. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. A.G. Kerkhof, werkzaam bij CAPRA te ‘s-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als hoofd van het bureau Concern Informatie en Automatisering. Op 4 december 1997 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarbij zijn functioneren met de kwalificatie ‘goed’ is beoordeeld. Op 29 oktober 1998 heeft opnieuw een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Het daarvan door appellant opgemaakte verslag is op 12 november 1998 door appellant en het afdelingshoofd T. de Laat ondertekend. Op 24 november 1998 is vervolgens een beoordelingsformulier opgemaakt waarbij het functioneren met de kwalificatie ‘onvoldoende’ is beoordeeld. Deze beoordeling is namens gedaagde bij primair besluit van 22 december 1998 overgenomen en vastgesteld. Dit besluit is na bezwaar bij het in geding zijnde besluit van 7 juli 1999 gehandhaafd.

1.2. Bij besluit van 14 januari 1999 is appellant ontheven uit zijn functie en geplaatst in de staffunctie procesmanager informatievoorziening. Appellant heeft in die overplaatsing berust. Met ingang van 16 september 1999 is appellant op zijn verzoek eervol ontslagen in verband met functieaanvaarding elders.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voldoende procesbelang aanwezig geacht maar heeft in de procedurele bezwaren van appellant onvoldoende grond gezien om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank was ook overigens van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust en heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen het ontbreken van een derde bij het functioneringsgesprek en tegen het ontbreken van consistente beoordelingscriteria herhaald. Appellant blijft voorts van mening dat er ten onrechte stukken aan de beoordeling ten grondslag zijn gelegd waarop punten staan die in het beoordelingsgesprek niet aan de orde zijn geweest. Volgens appellant is het functioneringsverslag het enige geldige document. Appellant stelt dat het gegeven dat hij tweemaal is herbenoemd in nagenoeg dezelfde functie wel degelijk betekent dat hij goed functioneerde en is van mening dat hij is geslachtofferd voor de tekortkomingen van de directeur. Appellant handhaaft voorts nog hetgeen hij in bezwaar en beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd.

3.1. Namens gedaagde is aangevoerd dat appellant vanwege de beëindiging van de dienstbetrekking geen procesbelang meer heeft. Gedaagde kan zich overigens vinden in de aangevallen uitspraak. Hij wijst er op dat een aantal probleempunten in het functioneren steeds terugkeerde, zoals de wijze van communiceren, de aansturing van de medewerkers en het gebrek aan inzicht en strategische visie op het werkterrein.

4. De Raad overweegt dat de grondslag voor de in geding zijnde beoordeling is gelegen in de definitiebepalingen van de Bezoldigingsverordening 1990 en in artikel 3:1:2 van het onderdeel Salaris- en vergoedingsregelingen van de zogenoemde Overgangsregeling behorende bij het “voorstel arbeidsvoorwaarden/personeelsbeleid in de fusie-gemeente” van 15 november 1995. In beide stukken is bepaald in welke kwalificaties - goed, zeer goed, onvoldoende - de beoordeling wordt uitgedrukt en welke gevolgen verbonden zijn aan die beoordelingsuitkomsten. De kwalificatie onvoldoende staat daarbij voor een functievervulling waaruit onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid en/of ijver blijkt, waardoor de ambtenaar niet in aanmerking komt voor één van de salarisverhogingen als omschreven in de artikelen 4 en 5.

4.1. Voorts zijn van belang een brief aan het gemeentepersoneel van 3 april 1989 met als onderwerp: functioneringsgesprek, met als bijlage een zogenoemde modelagenda, alsmede de Evaluatienota beloningsdifferentiatie van juni 1992 en de bespreking daarvan door gedaagde. Uit deze stukken destilleert de Raad de volgende relevante punten:

- functioneringsgesprek, beoordeling en bezoldiging zijn aan elkaar gekoppeld;

- in het jaarlijks te houden functioneringsgesprek dienen de gronden waarop de (jaarlijkse) beoordeling berust aan de orde te komen;

- bij het beoordelingsgesprek dient een door de betrokkene gekozen derde van binnen de organisatie aanwezig te zijn, om te voorkomen dat het gesprek te zeer wordt beïnvloed door de relatie leidinggevende - medewerker; deze derde dient te zorgen voor een verbreding door inbreng van het collegiale aspect;

- de betrokkene zelf maakt het verslag van het gesprek, welk verslag een juiste weergave dient te zijn van het besprokene;

- de argumenten voor de beoordeling dienen uit het verslag te halen te zijn;

- de andere gespreksdeelnemers kunnen aangeven dat het verslag aanvulling of correctie behoeft en indien geen overeenstemming wordt bereikt kan hun commentaar aan het gespreksverslag worden toegevoegd;

- er gelden geen expliciete beoordelingscriteria.

Een beoordelingsreglement waarin de toepasselijke regels en procedures systematisch zijn neergelegd ontbreekt.

5. Met appellant en de rechtbank is de Raad van oordeel dat er mede gezien de koppeling van beoordeling en bezoldiging zeker sprake is van procesbelang. Noch het feit dat appellant ten tijde van belang het maximum van zijn schaal had bereikt, noch het feit dat appellant niet langer in dienst is bij de gemeente ’s-Hertogenbosch leidt ertoe dat aan appellant procesbelang moet worden ontzegd.

5.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad evenals de rechtbank, dat die toetsing volgens zijn vaste jurisprudentie (zie CRvB 5 november 1998, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.

Blijkens diezelfde jurisprudentie moet in geval van negatieve oordelen als uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken bestuursorgaan ligt aannemelijk te maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

5.2. De Raad stelt vast dat de hiervoor weergegeven - op zichzelf al verbrokkelde en summiere - procedureregels op essentiële punten niet zijn gevolgd. Zo is er, naar ook gedaagde heeft erkend, in strijd met de voorschriften geen derde aanwezig geweest bij het functioneringsgesprek, waardoor het verschil van mening omtrent wat in het beoorde-lingsgesprek wel en niet aan de orde is geweest onbeslist blijft. Juist in het geval van een negatieve waardering brengt de hiervoor weergegeven toetsingsmaatstaf met zich mee dat de gevolgen daarvan voor risico van het bestuursorgaan komen. De Raad acht het gegeven dat appellant in het ontbreken van een derde blijkbaar heeft berust, onvoldoende om het risico bij appellant te leggen.

5.2.1. Ook de procedure voor de verslaglegging, met name bij geschillen over de inhoud van het gesprek(sverslag), is niet gevolgd, zodat de betekenis van de ongedateerde notitie waarin de beoordelaar de argumentatie voor de beoordeling van appellant heeft neergelegd, omstreden blijft. Ook op dit punt wreekt zich dat er geen derde aanwezig was bij het gesprek.

5.2.2. Tenslotte acht de Raad van belang dat gedaagde niet inhoudelijk heeft gereageerd op het standpunt van appellant dat het management onvoldoende richtinggevend is geweest en dat de gegeven negatieve waardeoordelen niet met voorbeelden zijn toegelicht. Het feit dat appellant blijkens het besprekingsverslag heeft erkend dat er wel sprake is van enkele tekortkomingen in zijn functioneren (kwaaltjes) doet aan vorenstaand oordeel onvoldoende af.

6. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7.1. Met betrekking tot het verzoek van appellant gedaagde te veroordelen tot vergoeding van zijn schade stelt de Raad vast dat van materiële schade niet is gebleken, nu de gehandhaafde onvoldoende beoordeling geen (nadelige) gevolgen heeft gehad voor de salarisvaststelling. Appellant heeft de Raad er voorts niet van kunnen overtuigen, dat ten gevolge van de onvoldoende beoordeling sprake is geweest van als aantasting van appellants persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld CRvB 6 juni 1996, TAR 1997, 169, tekent de Raad hierbij aan dat daarvoor onvoldoende is dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit.

7.2. Met betrekking tot het verzoek om gedaagde te veroordelen in de proceskosten overweegt de Raad met betrekking tot de geclaimde kosten van een deskundige, dat naar vaste jurisprudentie hulp bij het opstellen van een beroepschrift en het geven van mondeling advies zonder als gemachtigde in het geding op te treden, geen proceshandelingen zijn in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat het verzoek in zoverre moet worden afgewezen. Wel dient gedaagde aan appellant de door hem in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte reis- en verletkosten te vergoeden. Deze kosten begroot de Raad voor de eerste aanleg op € 73,36, zijnde 2 uren verletkosten en € 3,36 aan reiskosten en voor hoger beroep op € 155,06 zijnde 4 uren verletkosten en € 15,06 aan reiskosten.

Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 7 juli 1999;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 73,36 en in hoger beroep tot een bedrag van € 155,06 ter zake van reis- en verletkosten, te betalen door de gemeente ‘s-Hertogenbosch;

Bepaalt dat de gemeente ‘s-Hertogenbosch aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.