Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BJ7357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
01/3802 AW + 01/4432 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor buitenfuncties arbeidsongeschikte opzichter buitendienst bij waterschap, in het kader van reorganisatie geplaatst in binnenfunctie (waartegen geen bezwaar), weigert die werkzaamheden aan te vangen. Het stond betrokkene, die geen ambitie voor binnenwerk had, niet vrij dat werk te weigeren. Strafontslag niet onevenredig (in tegenstelling tot de rechtbank, die in gevolgde procedures strafverminderende omstandigheden aanwezig achtte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3802 AW + 01/4432 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Noorderzijlvest, appellant,

en

[gedaagde], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juni 2001, nr. AWB 00/1143 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend waarop door appellant nader is gereageerd.

Appellant heeft de Raad een afschrift toegezonden van een na de uitspraak genomen nadere beslissing op bezwaar.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 januari 2003, waar namens appellant is verschenen mr. M.J. Kragten, werkzaam bij Kragten & Partner, alsmede mr. H. Bauman en U.J. Kort-Schouten, beiden werkzaam bij het waterschap. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Boerma, werkzaam bij AbvaKabo/FNV.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde, destijds districtsopzichter buitendienst bij het waterschap, heeft zich medio 1997 ziek gemeld in verband met klachten aan linker heup, been en hak. Ter zake hiervan is hem per 26 mei 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, aanvankelijk berekend naar een arbeidsongeschiktheids-percentage van 35 tot 45, nadien naar een percentage van 45 tot 55.

1.2. In het kader van een reorganisatie bij het waterschap is gedaagde - die door de bedrijfsarts ongeschikt was geacht voor buitenfuncties - bij wijze van reïntegratie bij besluit van 4 januari 2000 in de nieuwe organisatie geplaatst als medewerker in algemene dienst (een binnenfunctie), tegen welk besluit gedaagde geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

1.3. Nadat op 18 februari 2000 met gedaagde was gesproken over hervatting in die functie is hem schriftelijk opgedragen zijn werkzaamheden op 6 maart 2000 aan te vangen. Daaraan heeft hij geen gehoor gegeven. Bij brief van 6 maart 2000 is gedaagde nogmaals opgedragen zijn werk te hervatten, ditmaal op 8 maart 2000. Ook deze opdracht heeft gedaagde naast zich neergelegd. Tenslotte is gedaagde op 14 maart 2000 als uitdrukkelijke dienstopdracht nogmaals opgedragen op 16 maart 2000 op zijn werkplek te verschijnen teneinde zijn werkzaamheden aan te vangen. Daarbij is hij gewaarschuwd voor disciplinair optreden door appellant bij het opnieuw geen gevolg geven aan de opdracht. Gedaagde is niet op zijn werkplek verschenen. Op 17 maart 2000 is gedaagde op het werk verschenen, maar kort nadien weer vertrokken. Tegen de dienstopdrachten heeft hij geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Overeenkomstig zijn voornemen heeft appellant gedaagde bij besluit van 5 april 2000 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd op grond van plichtsverzuim. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 oktober 2000.

1.5. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. De rechtbank heeft kort samengevat overwogen dat wel sprake is van plichtsverzuim, maar dat de opgelegde straf onevenredig is vanwege strafverminderende omstandigheden, gelegen in onvolkomenheden in de plaatsingsprocedure.

1.6. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft appellant op 20 juli 2001 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In dat besluit is uiteengezet waarom appellant het standpunt van de rechtbank niet deelt en is het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft gedaagde beroep ingesteld bij de rechtbank, die het besluit en het beroepschrift heeft doorgezonden naar de Raad.

2.1. Nu het nadere besluit van 20 juli 2001 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en aan het bezwaar niet tegemoet komt, stelt de Raad vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit besluit.

2.2. Ingevolge het systeem van de Awb - zoals naar voren komt uit artikel 8:72 en volgende van die wet, in verbinding met het bepaalde in artikel 19 van de Beroepswet - dient een bestuursorgaan na vernietiging van het na bezwaar genomen besluit door de rechtbank, ook indien dit niet expliciet in de uitspraak is aangegeven, uitvoering te geven aan die uitspraak door opnieuw op het bezwaar van de betrokkene te beslissen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Appellant heeft na de vernietiging van het bestreden besluit van 9 oktober 2000, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank bij vorenvermeld besluit van 20 juli 2001 de bezwaren van gedaagde op materieel gezien dezelfde gronden wederom ongegrond verklaard.

2.3. De Raad is van oordeel dat appellant met het besluit van 20 juli 2001 geen uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Gezien hetgeen de Raad hiervoor ten aanzien van het systeem van de Awb heeft overwogen stond het appellant niet vrij in het nieuwe besluit op bezwaar met voorbijgaan aan de overwegingen en oordelen van de rechtbank, zijn standpunten onverminderd te handhaven. Het besluit van 20 juli 2001 dient dan ook te worden vernietigd.

3. Met betrekking tot het hoger beroep van appellant stelt de Raad vast dat de omvang van het geding in hoger beroep zich niet - zoals door appellant betoogd - slechts uitstrekt tot de vraag of het gegeven strafontslag onevenredig is. Vaste jurisprudentie is (zie bijvoorbeeld CRvB 16 december 1999, TAR 2000, 29), dat gezien de sterke verwevenheid van de opgelegde sanctie en de (omvang) van het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim, de omstandigheid dat alleen appellant in hoger beroep is gekomen niet kan meebrengen dat de Raad in dit geding niet meer kan toetsen of appellant terecht plichtsverzuim aanwezig heeft geacht.

4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de opvolgende werkweigeringen van gedaagde terecht als plichtsverzuim heeft gekwalificeerd.

Daartoe overweegt de Raad als volgt.

4.1. In verband met de arbeidsongeschiktheid van gedaagde is in 1999 vele malen met hem gesproken over een binnenfunctie. Uiteindelijk heeft gedaagde een zodanige functie, zij het onder protest, geaccepteerd. Vervolgens is gedaagde per 1 januari 2000 in de nieuwe organisatie op die functie geplaatst. Tegen die plaatsing heeft gedaagde geen rechtsmiddelen aangewend. Nadat de bedrijfsarts (nogmaals) had aangegeven dat gedaagde medisch gezien de bij die functie behorende werkzaamheden kon verrichten is appellant ertoe overgegaan gedaagde te sommeren die werkzaamheden op te pakken.

De Raad ziet daarom niet in dat appellant gedaagde die werkzaamheden niet in redelijkheid op kon dragen. De enkele omstandigheid dat gedaagde - een uitgesproken buitenmens - geen enkele ambitie had om binnenwerkzaamheden te gaan verrichten kan er niet toe leiden dat het hem vrij stond die werkzaamheden (alsnog) te weigeren. De Raad wijst er daarbij op dat binnenwerkzaamheden ook een substantieel onderdeel vormden van de functie van districtsopzichter, zodat die werkzaamheden gedaagde niet vreemd waren.

4.2. Dat de weigering gedaagde niet kon worden toegerekend acht de Raad op grond van hetgeen van de zijde van gedaagde in dat kader is aangevoerd niet aannemelijk geworden. De Raad sluit niet uit dat gedaagde destijds in een geëmotioneerde toestand verkeerde, maar dat brengt niet met zich mee dat hij voor zijn handelen niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

4.3. De omstandigheid dat gedaagde achteraf op 23 november 2000 en met terug-werkende kracht tot 2 juni 1999 alsnog in aanmerking is gebracht voor een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering maakt dit niet anders. Uit dat besluit valt immers geenszins af te leiden dat gedaagde ten tijde van de werkweigeringen niet geschikt was te achten voor de werkzaamheden die hem waren opgedragen. Integendeel, uit dat besluit komt naar voren dat gedaagde met in achtneming van zijn medische beperkingen in staat werd geacht gedurende 40 uren per week werkzaamheden te verrichten. Dat gedaagde niettemin voor een volledige uitkering in aanmerking werd gebracht werd uitsluitend veroorzaakt door het feit dat zijn dossier zoek was geraakt, zodat zijn bezwaren op formele gronden gegrond werden verklaard.

In dit verband acht de Raad ook niet zonder betekenis dat gedaagde zich bij de werkweigeringen nimmer op het standpunt heeft gesteld vanwege zijn lichamelijke beperkingen niet in staat te zijn tot de opgedragen werkzaamheden.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat sprake was van plichtsverzuim op grond waarvan appellant bevoegd was gedaagde te straffen.

5. Met betrekking tot de vraag of appellant bij het gebruik van die bevoegdheid het evenredigheidsbeginsel in acht heeft genomen overweegt de Raad als volgt.

5.1. Anders dan de rechtbank kan de Raad in de gevolgde plaatsingsprocedure geen strafverminderende omstandigheid ontwaren. Nadat gedaagde gedeeltelijk arbeidsongeschikt was verklaard diende appellant ingevolge de toepasselijke rechtspositieregeling zorg te dragen voor reïntegratie. In dat kader is met gedaagde, die ongeschikt was geacht voor alle buitenfuncties, herhaalde malen gesproken over hervatting in een binnenfunctie. Het was wel duidelijk dat gedaagdes hart daar niet naar uitging, maar er bestonden weinig andere mogelijkheden. Dat appellant had moeten voorzien in een aangepaste buitenfunctie, zoals namens gedaagde is betoogd, kan de Raad niet inzien, nog daargelaten of die optie gezien gedaagdes beperkingen en de eerdere ervaringen van gedaagde met buitenwerkzaamheden reëel was. Gedaagde was immers, nu hij meer dan 52 weken verhinderd was geweest zijn betrekking te vervullen, op grond van artikel E11b van de toepasselijke arbeidsvoorwaardenregeling gehouden gangbare arbeid te verrichten waartoe hij door zijn werkgever in de gelegenheid werd gesteld.

5.2. Omdat de reïntegratieperiode samenviel met een reorganisatie bij het waterschap is gedaagde uiteindelijk met toepassing van artikel 19 van het geldende sociaal statuut in aanmerking gebracht voor een bijzondere plaatsing, hoewel dat artikel strikt genomen niet zag op de situatie van gedaagde. Die plaatsing is in rechte onaantastbaar geworden. Afgezien daarvan deelt de Raad niet het oordeel van de rechtbank dat die procedure onvolkomen is geweest. Naar het oordeel van de Raad heeft voldoende oog bestaan voor de belangen van gedaagde, doch waren de mogelijkheden beperkt vanwege bij hem bestaande beperkingen. Dat gedaagde niet is geplaatst op een van zijn voorkeurfuncties is alleszins aanvaardbaar nu hij voor die (buiten) functies medisch ongeschikt was. Dat gedaagde dit moeilijk te aanvaarden vond doet niet af aan het feit dat een en ander genoegzaam met hem is besproken.

5.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond wordt verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond;

Vernietigt het nadere besluit van 20 juli 2001;

Bepaalt dat het Waterschap Noorderzijlvest aan gedaagde het terzake van het besluit van 20 juli 2001 betaalde griffierecht ten bedrage van € 102,10 (voorheen: f 225,-) vergoed.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD