Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BJ7117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
01/2089 AW + 01/2091 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onregelmatigheden mbt levering goederen. Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2089 AW en 01/2091 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 februari 2001, nrs. 99/1393 AW AN en 00/367 AW AN, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 24 april 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.I. Broekhoven, advocaat te Tilburg. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen en F. van der Linden, beiden werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was, daartoe door gedaagde aangesteld, in de periode van 1 juli 1994 tot 9 juni 1997 werkzaam als [functie 1]. Met ingang van 9 juni 1997 is hij werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) in de functie [functie 2]. Met ingang van 1 januari 1998 is hij werkzaam bij de IND in de functie [functie 3].

1.2. In verband met bij gedaagde ingekomen ambtsberichten heeft gedaagde appellant bij brief van 20 mei 1998 medegedeeld dat hij tot het voorlopige oordeel is gekomen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan vermoedelijk plichtsverzuim bestaande uit onrechtmatig handelen inzake door appellant namens de IND verrichte inkopen. Tijdens een naar aanleiding hiervan op 25 mei 1998 gehouden gesprek is appellant met onmiddellijke ingang mondeling geschorst voor de periode waarin nader onderzoek wordt verricht naar de aard en omvang van de vermeende onrechtmatige handelwijze.

1.3. Bij besluit van 2 juni 1998 is appellant op grond van artikel 91, eerste lid, onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 25 mei 1998 voor de duur van 3 maanden geschorst, gedurende welke periode nader onderzoek zal worden verricht naar bedoeld onrechtmatig gedrag. Bij besluit van 31 augustus 1998 is deze schorsing tot 16 oktober 1998 verlengd, waarbij in aansluiting op laatstgenoemde datum bij besluit van 14 oktober 1998 de schorsing is omgezet in een schorsing op grond van het bepaalde in artikel 91, eerste lid, onder b, van het ARAR. De tegen de besluiten van 31 augustus 1998 en 14 oktober 1998 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 5 juli 1999 ongegrond verklaard (hierna: besluit 1).

1.4. Bij besluit van 1 april 1999 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld, dat besloten is aan hem met ingang van 9 april 1999 onvoorwaardelijk ontslag te verlenen op basis van artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR. Bij besluit van 11 februari 2000 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard (hierna: besluit 2).

1.5. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen besluit 2 heeft zij ongegrond verklaard.

2. De Raad dient te beoordelen of hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten.

Besluit 1: de handhaving van de schorsingsbesluiten

2.1. De schorsing voor drie maanden met ingang van 25 mei 1998 is aan appellant opgelegd in verband met het onderzoek naar aanleiding van ernstig vermoeden van plichtsverzuim. Zij is bij het hier in geding zijnde besluit van 31 augustus 1998 verlengd tot 16 oktober 1998 in verband met nader onderzoek. De rechtbank heeft overwogen dat, nu het onderzoek was voltooid en dit heeft geleid tot ontslag, en ook overigens niet is gebleken van belang van appellant bij het beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit, appellant niet-ontvankelijk was in zijn beroep tegen de in besluit 1 gehandhaafde verlenging van de schorsing. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat bij besluit van

14 oktober 1998 de schorsing in het belang van de dienst is omgezet in een schorsing in het kader van (het voornemen tot) onvoorwaardelijk strafontslag. Nu dit voornemen is uitgevoerd en aan appellant met ingang van 9 april 1999 onvoorwaardelijk ontslag is verleend wegens ernstig plichtsverzuim had appellant naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandig processueel belang bij zijn beroep tegen de handhaving van de aan het strafontslag voorafgaande schorsing.

2.2. De Raad kan de rechtbank niet volgen. Appellant kan processueel belang niet worden ontzegd zowel met betrekking tot de handhaving van het besluit tot verlenging van de schorsing met toepassing van artikel 91, eerste lid, onder c, van het ARAR als met betrekking tot de handhaving van het besluit tot schorsing met toepassing van artikel 91, eerste lid, onder b, van het ARAR. Appellant heeft belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van die besluiten behouden gezien de diep ingrijpende gevolgen daarvan voor zijn rechtspositie welke gevolgen niet door de nadien gevolgde besluitvorming ongedaan zijn gemaakt.

2.3. Dit betekent dat het inleidend beroep van appellant wel ontvankelijk was, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.

2.4. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij deze, zoals door appellant is verzocht, zonder terugwijzing zelf afdoen.

2.4.1. Ingevolge artikel 91, eerste lid, onder c, van het ARAR kan een ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert. De in rechte onaantastbaar geworden schorsing voor drie maanden met ingang van 25 mei 1998, die aan appellant is opgelegd in verband met het onderzoek naar aanleiding van ernstig vermoeden van plichtsverzuim, is bij het hier in geding zijnde besluit van 31 augustus 1998 verlengd tot 16 oktober 1998 in verband met nader onderzoek. Appellant is van oordeel dat deze verlenging ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat het onderzoek van gedaagde niets nieuws meer kon opleveren. De Raad overweegt dat een schorsing als hier besproken een ordemaatregel is, welke is gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid van gedaagde. Een dergelijke schorsing mag niet langer duren dan het dienstbelang vordert. Blijkens de bewoordingen van artikel 91, eerste lid, onder c, van het ARAR, komt het bevoegde gezag te dien aanzien beoorde-lingsvrijheid toe. Het voorgaande betekent dat de Raad met betrekking tot de beslissing tot handhaving van de verlenging van de schorsing dient na te gaan of gezegd moet worden dat gedaagde niet in redelijkheid kon beslissen van de in de laatstgenoemde bepaling verleende bevoegdheid gebruik te maken, dan wel of dat besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Hoewel de Raad met appellant vaststelt dat, gezien hetgeen hem uiteindelijk in het kader van het plichtsverzuim is verweten, het onderzoek van gedaagde ten tijde van zijn beslissing de schorsing te verlengen ver gevorderd was, kan niet worden ontkend dat gedaagde, gelet op het feit dat dit onderzoek van een zekere complexiteit was, voldoende grond had voor voortzetting van dat onderzoek, zodat de bestreden verlenging van de schorsing de hiervoor omschreven terughoudende toetsing kan doorstaan. Hetgeen appellant tegen het hier aan de orde zijnde besluit heeft aangevoerd kan dan ook niet tot vernietiging van het hier besproken onderdeel van besluit 1 leiden.

2.4.2. Ingevolge artikel 91, eerste lid, onder b, van het ARAR kan een ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd. Bij schrijven van 7 oktober 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van het voornemen hem onvoorwaardelijk ontslag te verlenen. Gedaagde was dan ook bevoegd appellant met ingang van 16 oktober 1998 in zijn ambt te schorsen. De hantering van ook deze discretionaire bevoegdheid kan de toetsing van de Raad doorstaan zodat besluit 1 ook in zoverre in stand moet worden gelaten.

Besluit 2: de handhaving van het onvoorwaardelijk disciplinair ontslag

2.5. In artikel 80, eerste lid, van het ARAR is neergelegd dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. In artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR is bepaald dat tot de disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, behoort: ontslag.

2.6. Aan het ontslag heeft gedaagde een aantal gedragingen van appellant ten grondslag gelegd, waarvan in hoger beroep de volgende resteren:

1. Het in contact brengen van de IND met de v.o.f. M. (hierna: M.) als leverancier, terwijl appellant uit zijn diensttijd bij DGJD wist dat deze firma betrokken is geweest bij het opmaken van valse facturen en appellant zijn chefs bij de IND van dit laatste niet op de hoogte heeft gebracht.

2. Verduistering/vermissing van een representatieset (breedbeeldtelevisie en video- recorder) ter waarde van +/- f 10.000.

3. Het niet doen van aangifte terzake.

4. Het zonder medeweten en toestemming van de leiding buiten beheer en controle van de IND brengen van twee koffiezetters, die uiteindelijk bij M. bleken te staan.

5. Het voor ontvangst tekenen en betaalbaar stellen van twee airconditioners (locatie Rijswijk) terwijl er slechts één werd geleverd; het vervalsen van de pakbon.

6. Het opmaken van een bestel- en pakbon voor drie airconditioners (locatie Zevenaar) terwijl er slechts twee zijn geleverd; het vervalsen van de pakbon.

7. Het verkopen en doen afvoeren van vier trailers met goederen uit de opslag bij de firma A. tegen een onevenredig laag bedrag, met aanzienlijke kosten, op eigen initiatief en zonder de gebruikelijke procedures in acht te nemen.

8. Het tegen het te hoge bedrag van f 194.000,- en zonder elders offertes te vragen, aanbesteden van de leverantie en installatie van airconditioners en lichtarmaturen bij M.

9. Valsheid in geschrifte met betrekking tot documenten in samenhang met feiten onder 5 en 6.

10. Het betaalbaar stellen van meerwerk door M. zonder controle, terwijl er sprake was van een vaste aanneemsom.

2.7. In zijn aanvullend hoger beroepschrift bestrijdt appellant de juistheid van deze feiten dan wel acht hij deze door gedaagde aangedikt. Appellant herhaalt hierbij de argumenten die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Op grond van de gedingstukken is de Raad echter van oordeel dat vrijwel al deze feiten zijn komen vast te staan en dat zij op juiste waarde zijn geschat door gedaagde. Appellant moet worden toegegeven dat zijn betrokkenheid bij de in 2.6. onder 2. vermelde verduistering van een representatieset onvoldoende is komen vast te staan maar dit doet er niet aan af dat appellant, nu de desbetreffende goederen niet bij de IND zijn aangekomen, ten onrechte voor ontvangst daarvan heeft getekend, terwijl hij verantwoordelijk was voor de inkoop en de betaling ervan. Gelijk appellant ter zitting heeft toegegeven was dit in strijd met de interne voorschriften. Voor het overige verwijst de Raad naar de uitvoerige motivering die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd en verenigt hij zich met die motivering. De Raad voegt hieraan met betrekking tot de in 2.6. vermelde punten 2 tot en met 6 toe dat appellant ervoor heeft gezorgd, dan wel zijn medewerking eraan heeft verleend dat bepaalde goederen aan het oog van de IND zijn onttrokken en dat onjuiste informatie is ontstaan over de aanwezigheid van deze goederen, waardoor in zoverre geen adequate controle op de aanwezige voorraad mogelijk was. Met betrekking tot de in 2.6. vermelde punten 7, 8 en 10 merkt de Raad op dat appellant het mogelijk heeft gemaakt dat de IND voor bepaalde goederen en diensten veel hogere bedragen heeft moeten betalen dan deze dienst zou hebben gedaan indien appellant de voorgeschreven procedures zou hebben gevolgd.

2.8. Door dit alles is de IND aanmerkelijk benadeeld. De genoemde gedragingen dan wel het nalaten van appellant leveren plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van het ARAR. Dit plichtsverzuim valt appellant toe te rekenen, zodat gedaagde bevoegd was appellant disciplinair te straffen. Gedaagde heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door appellant onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. De Raad acht deze straf niet onevenredig aan de ernst van de appellant verweten gedragingen. Aan de omstandigheid dat op appellant onvoldoende toezicht zou zijn gehouden doordat enkele van zijn chefs zonder meer voor akkoord getekend zouden hebben bij bepaalde uitgaven, kan de Raad onvoldoende zwaarwegende betekenis toekennen. Het was primair de verantwoordelijkheid van appellant om op basis van de voorgeschreven interne procedures die chefs te voorzien van correcte, inzichtelijke en volledige informatie. Dit heeft appellant ten onrechte nagelaten.

2.9. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op besluit 2 moet worden bevestigd.

3. In het eerder overwogene ziet de Raad aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover het beroep van appellant tegen het besluit van 5 juli 1999 niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 5 juli 1999 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 154,29 (voorheen f 340,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en prof. mr. L.F.M. Verhey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

HD