Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BJ6217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
01/3838 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afdelingshoofd Penitentiaire inrichting bezoekt zieke ondergeschikte thuis en bespreekt haar privé-problemen, verband houdende met seksuele intimidatie in het verleden. Onvoldoende afstand. Schijn gewekt van andere dan strikt functionele bedoelingen. (Voorwaardelijke berisping)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3838 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 mei 2001, nr. AWB 00/9973 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is te kennen gegeven dat hij geen behoefte heeft aan het voeren van verweer gelet op hetgeen door appellant in diens beroepschrift is aangevoerd.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 13 maart 2003, waar beide partijen,

- appellant met voorafgaande kennisgeving - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam als afdelingshoofd bij de Penitentiaire Inrichtingen [naam Penitentiaire inrichting] te [plaatsnaam]. Bij besluit van 4 februari 2000 heeft gedaagde ter uitvoering van een aan appellant in december 1999 kenbaar gemaakt voornemen, wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) opgelegd.

1.2. Bij het bestreden besluit van 19 juli 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen dit besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, omdat hij zich onprofessioneel heeft gedragen door op huisbezoek te gaan bij een ondergeschikte medewerkster en door het voeren van gesprekken met haar, waarvan appellant had moeten beseffen dat hij die had moeten overlaten aan professionele hulpverleners. Gedaagde achtte evenwel de opgelegde straf van schriftelijke berisping onevenredig met het gepleegde plichtsverzuim, met name gezien het feit dat de leidinggevenden van appellant op de hoogte waren van appellants handelen en niet (tijdig) hebben ingegrepen. Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 81, derde lid, van het ARAR heeft gedaagde bij het bestreden besluit appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd, maar daarbij bepaald dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien appellant zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstige plichtsverzuim.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verkaard.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich niet onprofessioneel heeft gedragen. Hij heeft de medewerkster tweemaal bij haar thuis bezocht. Het eerste huisbezoek heeft hij verricht, omdat de medewerkster ziek thuis was in verband met een gebroken duim en hij als afdelingshoofd met haar wilde praten over aangepast werk. De medewerkster heeft toen getracht om met appellant te praten over haar privé-problemen, die zij ondervond doordat zij in het verleden seksueel is misbruikt, maar hij heeft dit terstond afgekapt. Het tweede huisbezoek heeft appellant verricht ten einde haar voor te bereiden op een gesprek met de unit-directeur over haar ontslag als penitentiair medewerkster. De unit-directeur had appellant zelf gevraagd dit gesprek met haar te voeren. Appellant had de mede-werkster telefonisch benaderd met de vraag of zij naar de Penitentiaire Inrichtingen wilde komen ten einde dit gesprek aldaar te kunnen voeren, maar aangezien de medewerkster zich wegens stress daartoe niet in staat achtte en hij van oordeel was dat dit gesprek, gelet op de inhoud daarvan, niet telefonisch kon plaatsvinden, had hij ingestemd met haar verzoek om haar thuis te bezoeken. Toen is volgens appellant niet over haar problemen in verband met de in het verleden ondervonden seksuele intimidatie gesproken.

Ten aanzien van de tussen hem en de medewerkster op de werkplek gevoerde gesprekken heeft appellant opgemerkt dat deze gesprekken binnen een functioneel kader hebben plaatsgevonden, waarbij hij haar ook meerdere malen heeft verzocht contact op te nemen met het bedrijfsmaatschappelijk werk. Voorts heeft appellant aangegeven dat hij, vanaf het moment dat hij bekend was met de privé-problemen van de medewerkster, zijn superieuren op de hoogte heeft gehouden, maar dat op dat moment voor hun blijkbaar geen noodzaak bestond in zijn handelwijze in te grijpen. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat de [naam Penitentiaire inrichting] niet beschikt over richtlijnen met betrekking tot het afleggen van huisbezoeken aan een arbeidsongeschikte collega/ondergeschikte of met betrekking tot het voeren van gesprekken over seksueel misbruik.

3.2. Gedaagde heeft erop gewezen dat het niet bestaan van richtlijnen ter zake niet wegneemt dat het verweten gedrag van appellant in strijd is met het bepaalde in artikel 50 van het ARAR, namelijk dat - kort gezegd - een ambtenaar zich als goed ambtenaar dient te gedragen.

4. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

4.1. In artikel 80, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. In artikel 81, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat als disciplinaire straf onder meer kan worden opgelegd: schriftelijke berisping en ingevolge het derde lid van dat artikel kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

4.2.1. Blijkens het door appellant voor akkoord ondertekende proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van een gesprek dat tussen appellant en de (waarnemend) algemeen directeur en de unit-directeur van de Penitentiaire Inrichtingen [naam Penitentiaire inrichting] op 9 juni 1999 heeft plaatsgevonden in verband met een door de medewerkster tegen appellant ingediende klacht inzake seksuele intimidatie, heeft appellant verklaard dat hij tijdens het eerste huisbezoek aan de medewerkster met haar heeft gepraat over haar privé-problemen en dat hij haar heeft willen ondersteunen, omdat hij zelf een vriendin heeft gehad die ook dergelijke problemen heeft ondervonden. Tijdens het tweede huisbezoek hebben appellant en de medewerkster volgens zijn verklaring gepraat over de invloed van seksueel misbruik op latere seksuele ervaringen en heeft hij haar verteld dat er tussen hem en zijn ex-vriendin geen problemen hebben bestaan op seksueel gebied.

4.2.2. Weliswaar is appellant nadien, nadat hij in kennis was gesteld van het voornemen van gedaagde om hem de disciplinaire straf van schriftelijke berisping op te leggen, op deze verklaring teruggekomen, doch gedaagde heeft aan die herroeping naar het oordeel van de Raad terecht weinig waarde gehecht. In het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een voor akkoord ondertekende verklaring. Niet gebleken is dat appellant tijdens het gesprek onder een zodanige druk is gezet dat in dit geval niet van de juistheid van die verklaring mag worden uitgegaan of dat appellant de betekenis van het voor akkoord ondertekenen van de verklaring niet heeft begrepen of kunnen begrijpen.

4.2.3. Uitgaande van de feiten en omstandigheden, zoals die vermeld zijn in voornoemd proces-verbaal, is de Raad van oordeel dat appellant tijdens die huisbezoeken niet die afstand heeft bewaard die voor een goede vervulling van zijn functie vereist en noodzakelijk is. Van een ambtenaar die een functie bekleedt als die van appellant kan en mag worden verwacht dat hij zich zakelijk en terughoudend opstelt ten aanzien van zijn ondergeschikten. Appellant heeft door tijdens de huisbezoeken met de medewerkster te praten over haar privé-problemen, die verband houden met in het verleden ondervonden seksuele intimidatie, tenminste de schijn op zich geladen andere dan strikt functionele bedoelingen te hebben. Appellant heeft zich door zijn handelwijze in een kwetsbare positie gebracht, waarbij het risico niet ondenkbaar was dat hij niet meer vrij was in zijn functionele opstelling tegenover de medewerkster.

4.3. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant zich niet heeft gedragen zoals het een goed ambtenaar onder de gegeven omstandigheden betaamt. Daarmee is sprake van plichtsverzuim. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan dit appellant niet kan worden toegerekend. Dat de Penitentiaire Inrichtingen [naam Penitentiaire inrichting] niet beschikt over richtlijnen met betrekking tot het afleggen van huisbezoeken aan personeelsleden of met betrekking tot het voeren van gesprekken over seksueel misbruik geeft de Raad geen aanleiding anders te oordelen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van appellant in beginsel mag worden verwacht dat hij begrijpt aan welke normen hij zich in dit soort situaties dient te houden. Dat de leiding van de Penitentiaire Inrichtingen niet eerder heeft ingegrepen doet daar niet aan af.

4.4. Gedaagde was derhalve bevoegd aan appellant een disciplinaire straf op te leggen. In aanmerking genomen dat aan appellant van de daarvoor ingevolge artikel 81 van het ARAR in aanmerking komende straffen of maatregelen, de lichtste straf is gegeven, bestaat naar het oordeel van de Raad geen onevenredigheid tussen de ernst van het gepleegde plichtsverzuim en de getroffen straf. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A. de Gooijer.

HD