Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BJ3097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
00/6330 AW + 00/6706 AW + 00/6707 AW + 01/4894 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermeende fraude met declaraties door politieobservant. Wijze van declareren (“anonimiseren” van bonnen) conform in verleden gegeven opdracht. Nadien nimmer op handelwijze aangesproken. Benadeling niet beoogd. Geen strafwaardig plichtsverzuim (evtueel waarschuwing ten aanzien van slordig declareren, zoals ook collega’s kregen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6330 AW, 00/6706 AW, 00/6707 AW en 01/4894 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, hierna: de korpsbeheerder,

en

[betrokkene], betrokkene.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens partijen is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 november 2000, nrs. AWB 99-3530 AW V58 G02 K1 en AWB 00-802 AW V58 G03 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens partijen is schriftelijk verweer gevoerd.

Hangende het hoger beroep is namens de korpsbeheerder een nieuw besluit, gedateerd 31 mei 2001, toegezonden.

Betrokkene heeft hierop bij nader beroepschrift gereageerd, waarna de korpsbeheerder een verweerschrift heeft ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 12 december 2002, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Terlingen, advocaat te Amsterdam. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen gegevens.

1.1. Betrokkene is per 1 januari 1975 aangesteld in een executieve functie bij de gemeentepolitie Amsterdam. Sedert 1989 vervulde hij de functie van observant. Nadat hij enige jaren werkzaam was geweest bij een speciaal onderzoeksteam is hij eind 1996 teruggeplaatst naar het reguliere observatieteam. In 1998 is naar aanleiding van een gerucht dat er bij dit observatieteam door diverse personeelsleden stelselmatig met declaraties zou worden gefraudeerd, door het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) een onderzoek ingesteld naar het declaratiegedrag van de desbetreffende observanten. Dit onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek naar het declaratiegedrag van zes observanten onder wie betrokkene. Uiteindelijk is tegen twee observanten, onder wie betrokkene, vervolging ingesteld wegens verdenking van het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en van oplichting. In de strafrechtelijke procedure is betrokkene door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 27 april 2000 van het ten laste gelegde vrijgesproken.

1.2. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen van het BIO is ook een tuchtrechtelijke procedure gevolgd. In dat kader is betrokkene verweten dat hij in de periode van januari 1997 tot maart 1997 bonnen heeft gemanipuleerd door de kop ervan te verwijderen en dat hij bonnen heeft voorzien van handgeschreven aantekeningen, waardoor hij stelselmatig ondoorzichtig en oncontroleerbaar heeft gedeclareerd met als doel declaraties die volgens de geldende regels niet voor vergoeding in aanmerking komen toch vergoed te krijgen. Voorts is hem verweten dat hij zaken die niet nuttigbaar waren heeft gedeclareerd. Betrokkene is ten laste gelegd dat hij hiermee verwijtbaar heeft gehandeld in strijd met de Reisregeling binnenland politie, het Besluit vergoedingen dienstreizen politie en Dienstvoorschrift nr. 19.10.6, hetgeen is aangemerkt als ernstig plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

1.3. Bij besluit van 12 oktober 1998 is betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van het Barp met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 14 april 1999 gehandhaafd.

1.4. Bij besluit van 24 maart 1999 is betrokkene met toepassing van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Barp met onmiddellijke ingang geschorst en is aan hem meegedeeld dat de korpsbeheerder voornemens was hem disciplinair te ontslaan.

1.5. Bij besluit van 6 juni 1999 is betrokkene met onmiddellijke ingang ontslagen met toepassing van artikel 77, eerste lid, onderdeel j, van het Barp. Na bezwaar zijn de schorsing en het ontslag bij het bestreden besluit van 4 januari 2000 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft de beroepen van betrokkene tegen het bestreden besluit van 14 april 1999 en het bestreden besluit van 4 januari 2000, voorzover hierbij de schorsing was gehandhaafd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 januari 2000 voorzover dit betrekking had op het disciplinaire ontslag gegrond verklaard en dit besluit in zoverre vernietigd met overwegingen ten aanzien van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de aan betrokkene verweten gedragingen als plichtsverzuim dienden te worden aangemerkt, maar dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag, gelet op de inadequate controle van declaraties ten tijde hier in geding en de straffen van waarschuwing c.q. berisping die aan andere observanten voor soortgelijke gedragingen waren opgelegd, onevenredig was. De rechtbank achtte een voorwaardelijk ontslag wel passend en heeft de korpsbeheerder opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

3. Bij besluit van 31 mei 2001 heeft de korpsbeheerder het besluit van 12 september 2000 herroepen en betrokkene, onder handhaving van de oorspronkelijke ontslagdatum, ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken onder toekenning van wachtgeld.

4.1. Het hoger beroep van betrokkene betreft in de eerste plaats de besluiten tot buitenfunctiestelling en tot schorsing. Met betrekking tot deze besluiten is ter zitting medegedeeld dat betrokkene zich zal refereren aan het oordeel van de Raad.

4.2. Betrokkenes hoger beroep betreft voorts het besluit tot strafontslag. Naar het oordeel van betrokkene heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Betrokkene heeft aangevoerd dat de door hem uitgeoefende functie van observant met zich bracht dat hij veelal langdurig onderweg was en tijdens de dienstuitoefening de maaltijden diende te gebruiken. Hij kocht vaak even snel etenswaren en frisdrank bij een winkel in de buurt waar hij observeerde om deze vervolgens in de auto te nuttigen. Hij verwijderde de koppen van de winkelbonnen opdat niet te traceren was waar hij had geobserveerd. Hij paste deze methode toe sedert 1993/1994 toen hem daartoe in het kader van een groot onderzoek naar zware criminaliteit door de projectleider de opdracht was gegeven omdat er aanwijzingen waren dat vanuit de politieorganisatie gegevens over de onderzoeken aan criminelen werden doorgeven. Ook omdat betrokkene eerst in 1998 op deze handelwijze is aangesproken, is zijns inziens geen sprake van plichtsverzuim.

4.3. Tot slot bestrijdt betrokkene het hem, bij besluit van 31 mei 2001, verleende ontslag wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

5. Het hoger beroep van de korpsbeheerder betreft het strafontslag. De korpsbeheerder kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de straf van ontslag niet evenredig is met het plichtsverzuim.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1.Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene tegen het oordeel van de rechtbank over de buitenfunctiestelling en de schorsing overweegt de Raad geen aanleiding te zien om ten aanzien van de desbetreffende besluiten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan, zodat het hoger beroep van betrokkene in zoverre geen doel treft.

6.2. Ingevolge artikel 76, eerste lid van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Het tweede lid van artikel 76 bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.

6.3. Aan betrokkene is als strafwaardig plichtsverzuim verweten zijn onder 1.2. beschreven gedrag met betrekking tot declaraties van maaltijden en etenswaren tijdens de dienst.

6.3.1. De Raad heeft in de eerste plaats moeten vaststellen dat gedaagde niet heeft aangegeven en ook, desgevraagd ter zitting, niet heeft kunnen aangeven welk voorschrift uit de onder 1.2. genoemde regelingen betrokkene heeft overtreden met het hem verweten declaratiegedrag. In zoverre treft het hoger beroep van betrokkene doel.

6.3.2. De Raad kan gedaagde en de rechtbank voorts niet volgen in hun opvatting dat betrokkene in de gegeven omstandigheden door zijn handelwijze anderszins iets heeft gedaan of nagelaten wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Nadat hem daartoe in 1993/1994 de opdracht was gegeven, heeft betrokkene op een voor het bevoegd gezag en de behandelde functionarissen zichtbare en kenbare wijze de door hem gedeclareerde bonnen 'geanonimiseerd': de plaats van besteding werd onherkenbaar gemaakt. De aard van de bestedingen bleef echter duidelijk. Door aantekeningen te maken op een aantal bonnen heeft betrokkene niet heimelijk getracht ten onrechte voor bepaalde vergoedingen in aanmerking te komen. Waar betrokkene nadien niet op deze handelwijze is aangesproken en dezelfde functie is blijven vervullen, was er voor hem geen aanleiding zijn declaratiegedrag te wijzigen. Betrokkenes superieuren hebben de wijze van onderbouwing van de declaraties kennelijk niet onoorbaar geacht. Betrokkene heeft met zijn handelwijze niet beoogd de politieregio te benadelen; het was volstrekt duidelijk van welke bestedingen in restaurants en winkels betrokkene vergoeding wenste. Op een kennelijke vergissing na, is van enige benadeling van de politieregio niet gebleken.

6.3.3. De Raad heeft voorts vastgesteld dat de declaraties van betrokkene een slordige indruk maakten en soms lastig controleerbaar waren. Dat de korpsbeheerder in dat gedrag aanleiding zou hebben gezien, zoals hij dat ten aanzien van een aantal collega's van betrokkene heeft gedaan, om betrokkene een waarschuwingsbrief te sturen, zou de Raad niet onbegrijpelijk hebben geacht. Deze wijze van declareren in de hier van belang zijnde periode maakt, gelet op de omstandigheden, echter nog niet dat dit gedrag aan betrokkene anderszins als strafwaardig plichtsverzuim kan worden verweten.

Gelet op dit vorenstaande treft het hoger beroep van betrokkene tegen het strafontslag ook in zoverre doel.

6.3.4. Nu de Raad de handhaving van het strafontslag bij het besluit van 4 januari 2000 op andere gronden dan die van de rechtbank onhoudbaar acht en de Raad, gezien die gronden, tevens aanleiding ziet om het primaire besluit tot ontslagverlening te vernietigen, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

6.4. Het hoger beroep van de korpsbeheerder, die zich op het standpunt heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is met het plichtsverzuim, slaagt niet gezien hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen.

6.5. Voorts is daarmee aan het besluit van 31 mei 2001, waarbij betrokkene op grond van onbekwaamheid voor het te bekleden ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken is ontslagen, de grondslag ontvallen. Dit besluit komt derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking.

6.6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 1.127,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de beroepen van betrokkene tegen de bij de besluiten van de korpsbeheerder van 14 april 1999 en 4 januari 2000 gehandhaafde besluiten tot buitenfunctiestelling en schorsing ongegrond zijn verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige met uitzondering van de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten;

Vernietigt het besluit van de korpsbeheerder van 4 januari 2000, voorzover daarbij het besluit van 6 juni 1999 tot het verlenen van disciplinair ontslag aan betrokkene is gehandhaafd;

Vernietigt tevens dit besluit van de korpsbeheerder van 6 juni 1999;

Verklaart het inleidend beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit van 4 januari 2000 in zoverre gegrond;

Verklaart het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 31 mei 2001 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.127,-, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat de politieregio Amsterdam-Amstelland aan betrokkene het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 154,29 (voorheen f 340,-) vergoedt.

Bepaalt dat van de politieregio van Amsterdam-Amstelland en griffierecht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

RB1601