Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BH0754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2003
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
00/6745 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit : intrekking van de toestemming om bij de vervulling van de betrekking gebruik te maken van een (in privé) toebehorend motorrijtuig. Wijziging beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6745 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van Samenwerkingsverband Helso Helmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 november 2000, nr. AWB 99/3693 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 februari 2003, waar voor appellant is verschenen mr. K. de Meij, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, werkzaam bij CAPRA, en door G. Basten, werkzaam bij Atlant Groep.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellant is als werkleider werkzaam bij [werkgeefster]. In 1997 is gedaagde begonnen met een onderzoek naar de mogelijkheid van kostenbesparing door het invoeren van bedrijfsauto's ten behoeve van de (assistent )werkleiders en uitvoerders. Omstreeks juli 1998 is een proef gehouden met enkele merken en typen. Bij brieven van 2 december 1998 heeft gedaagde de leidinggevenden, onder wie appellant, meegedeeld dat hun een bedrijfsauto ter beschikking zal worden gesteld voor zakelijk gebruik en dat daarmee de mogelijkheid vervalt om (met de eigen auto gereden) kilometers ten behoeve van de werkuitvoering te declareren. Een en ander is voor appellant ingevoerd per 1 juli 1999.

1.2. Bij het bestreden besluit van 6 april 1999 heeft gedaagde het besluit van 2 december 1998 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft, voorzover hier van belang, het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 2 december 1998 een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit behelst, reeds omdat het daarin gaat om de intrekking van de aan appellant op grond van artikel 15:1:24 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) verleende toestemming om bij de vervulling van zijn betrekking gebruik te maken van een hem (in privé) toebehorend motorrijtuig. Dit besluit steunt weliswaar op een wijziging van gedaagdes beleid inzake het gebruik van vervoermiddelen voor bedrijfsdoeleinden, doch kan niet met die beleidswijziging worden vereenzelvigd. Dat gelijkluidende brieven zijn verzonden aan de collega's van appellant, maakt het vorenstaande niet anders.

3. Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt de Raad als volgt.

3.1. De hiervóór bedoelde beleidswijziging, welke ertoe strekt dat bij de uitvoering van de werkzaamheden niet langer gebruik zal worden gemaakt van privé-auto's op basis van een kilometervergoeding, doch van bedrijfsauto's die desgewenst onder bepaalde voorwaarden ook voor privédoeleinden mogen worden gebruikt, gaat naar het oordeel van de Raad de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de kilometervergoeding gold als een tegemoetkoming in daadwerkelijk gemaakte kosten en niet als bestanddeel van of aanvulling op het inkomen dat de betrokkene uit zijn ambtelijke dienstbetrekking geniet. Met het wegvallen van het zakelijk gebruik van de privé-auto vervalt ook de reden voor een vergoeding van de daaraan verbonden kosten. Aan dit karakter van de kilometervergoeding doet niet af dat gedaagde, in navolging van hetgeen bij Rijk en gemeenten veelal gebruikelijk is, een forfaitair bedrag per gereden kilometer hanteerde. Bij zo'n systeem is niet te vermijden dat, afhankelijk van tal van omstandigheden, de ene ambtenaar met de vergoeding beter uitkomt dan de andere. Dat de vergoeding kennelijk door sommigen - zoals appellant - als lucratief werd ervaren, behoefde voor gedaagde dan ook geen aanleiding te vormen om aan de beleidswijziging een compensatie voor verminderde inkomsten te verbinden. Van de door gedaagde geboden mogelijkheid om de bedrijfsauto ook privé te gebruiken, welke mogelijkheid appellant onaantrekkelijk en fiscaal nadelig acht, is appellant niet verplicht gebruik te maken.

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat de beleidswijziging niet is besproken in de commissie voor georganiseerd overleg, als bedoeld in de artikelen 12:1 en volgende van de CAR/UWO. Deze grief kan niet slagen. Vast staat dat de aanschaf van de bedrijfsauto's overeenkomstig de daarvoor geldende afspraken als goedgekeurde investeringsaanvraag is voorgelegd aan de financiële commissie van de Centrale Ondernemingsraad. Voorts is gebleken dat de beleidswijziging vanaf 1997 regelmatig in het werkoverleg met de betrokkenen, onder wie appellant aan de orde is geweest. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat, al aangenomen dat de intrekking van de verleende toestemmingen voor het gebruik van de privé-auto behoort tot de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die ingevolge artikel 12:2 van de CAR/UWO (tevens) in de commissie voor georganiseerd overleg dienen te worden besproken, het ontbroken hebben van dit overleg zou moeten leiden tot het door appellant gewenste gevolg. De Raad merkt op dat nog moet worden geconstateerd dat geen van de in de commissie vertegenwoordigde organisaties aanleiding heeft gevonden het achterwege blijven van overleg in rechte aan de orde te stellen.

3.3. Ook overigens heeft de Raad onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat de beleidswijziging onzorgvuldig is voorbereid of overhaast tot stand is gebracht. Aan de beleidswijziging is uitvoerig onderzoek en intern overleg voorafgegaan. De betrokkenen hebben ruim de tijd gehad om zich op de komende wijziging in te stellen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan de beleidswijziging in het geval van appellant niet had mogen geworden toegepast zonder dat daaraan een individuele financiële compensatie was verbonden.

3.4. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. Het bestreden besluit houdt in rechte stand en de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

HD