Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:BC6871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
01/1958 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft zelf ontslagverzoek gedaan. Was betrokkene psychisch gezien niet in staat zijn wil te bepalen en heeft gedaagde ongeoorloofde druk op hem uitgeoefend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1958 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 12 februari 2001, nr. Awb 00/9071, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 12 februari 2003 nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.S.P. Stuiver, advocaat te De Meern. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Eiser is met ingang van 1 juli 1979 aangesteld in een vast dienstverband bij de gemeente Almere, laatstelijk in de functie van [naam functie] van de afdeling Facilitair Management, behorend bij de Concerndienst Middelen.

Eiser is van 18 november 1999 tot 31 januari 2000 volledig arbeidsongeschikt geweest, in hoofdzaak wegens hoge bloeddruk. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft eiser zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Ingaande 22 februari 2000 was eiser voor 50% werkzaam.

Op eisers afdeling ([naam afdeling]), is voorafgaand aan eisers ziekteverlof en vanaf de terugkeer uit het laatste ziekteverlof van eiser sprake (geweest) van vermissingen van onder andere sleutels, printer-cartridges, hardware, software en andere computertoebehoren.

Eiser wordt door verweerder verdacht van betrokkenheid bij voornoemde vermissingen.

Verweerder heeft op 8 maart 2000 aangifte gedaan bij de politie Flevoland, district Almere, van mogelijke vervreemding van goederen. Daarbij is medegedeeld dat eiser wordt verdacht van betrokkenheid bij de vermissingen.

Tijdens een bespreking op 15 maart 2000 is eiser - in aanwezigheid van zijn chef [naam chef], P&O-adviseur [A.] en coördinator [G.] - in kennis gesteld van de aangifte van de vermissingen bij de politie en de verdenking van zijn betrokkenheid daarbij. Eiser is daarbij op de hoogte gebracht van verweerders voornemen zowel een strafrechtelijk als een tuchtrechtelijk onderzoek te entameren. Eiser is de mogelijkheid voorgehouden om zelf ontslag te verzoeken (op termijn), teneinde zijn kansen op de arbeidsmarkt zo optimaal mogelijk te houden.

In een volgend gesprek op 20 maart 2000, wederom in aanwezigheid van genoemde personen, heeft eiser - onder inlevering van enkele vermiste spullen - erkend met enkele vermissingen bekend te zijn.

Na afloop van dit gesprek heeft eiser nog dezelfde dag een schriftelijk verzoek om ontslag ingediend, met als ontslagdatum 1 oktober 2000. Aan eiser is daarop gebruikmaking van de diensten van het mobiliteitsbureau aangeboden.

Met ingang van 28 maart 2000 is eiser voor 100% arbeidsongeschikt verklaard."

1.2. De Raad voegt hieraan toe dat gedaagde appellant bij primair besluit van 31 mei 2000 met ingang van 1 oktober 2000 ontslag heeft verleend en dat dit besluit in bezwaar bij het thans bestreden, op 20 oktober 2000 bekend gemaakte, besluit van 17 oktober 2000 is gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.1. Zowel in beroep als in hoger beroep heeft appellant betwist dat het bestreden besluit op 17 oktober 2000 door gedaagde is genomen. Volgens hem is daartoe eerst op 24 oktober 2000 besloten, zodat aan het op 20 oktober 2000 aan appellant bekend gemaakte besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft.

2.2. Evenmin als de rechtbank volgt de Raad appellant hierin. Ook voor de Raad staat genoegzaam vast dat gedaagde op 17 oktober 2000 heeft besloten het voorstel tot ongegrondverklaring van appellants bezwaarschrift en derhalve tot handhaving van het ontslag per 1 oktober 2000, over te nemen. Van dat besluit is appellant op 20 oktober 2000 in kennis gesteld. Het feit dat het op 17 oktober 2000 genomen besluit in gedaagdes vergadering van 24 oktober 2000 nogmaals aan de orde is geweest, doet hieraan niet af.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij ten tijde van de gesprekken op 15 en 20 maart 2000 psychisch gezien niet in staat was zijn wil te bepalen en dat gedaagde in die gesprekken ongeoorloofde druk op hem heeft uitgeoefend. Voorts stelt appellant dat de verdenkingen van gedaagde jegens hem niet houdbaar zijn en dat het op de weg van de rechtbank had gelegen deze verdenkingen te onderzoeken.

3.2. In hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins heeft de Raad echter aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen, voor onjuist te houden. De Raad heeft daarbij het volgende overwogen.

4.1. Gedaagde heeft de brief van 20 maart 2000, waarin appellant meedeelt per 1 oktober 2000 ontslag te nemen, aangemerkt als een ontslagverzoek als bedoeld in artikel 8:1 van de CAR/UWO. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 5 april 2001, gepubliceerd in TAR 2001,88, is één van de voorwaarden voor het bestaan van een ontslagverzoek dat het tot een eigen en in vrijheid genomen beslissing van de ambtenaar kan worden herleid.

4.2. De Raad is van oordeel dat aan die voorwaarde is voldaan. Dat appellant op 20 maart 2000 niet in staat was zijn wil te bepalen, waarbij het - anders dan de gemachtigde van appellant in het aanvullende hoger beroepschrift heeft gesteld - aan appellant is om dat aan te tonen, is de Raad niet kunnen blijken. Ter adstruering van zijn standpunt heeft appellant ter zitting nog passages aangehaald uit medische rapportages die in verband met de beoordeling van appellants aanspraken op een WAO-uitkering zijn uitgebracht. De Raad gaat echter aan die gegevens voorbij, nu die wel zeer tardief zijn aangevoerd en gedaagde zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Bovendien dateren die gegevens van november 2000 en maart 2002, zodat de Raad niet inziet, waarom die niet eerder in geding gebracht hadden kunnen worden.

4.3. De overige, wel beschikbare gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van appellant. De Raad wijst er daarbij op dat appellant ten tijde van de gesprekken op 15 en 20 maart 2000 gedeeltelijk arbeidsongeschikt was wegens diabetes en hoge bloeddruk en daarnaast gedeeltelijk werkzaam was en dat er geen aanleiding was te veronderstellen dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van appellant mede werd veroorzaakt door psychische klachten. Maar zelfs indien dat wel het geval was geweest, betekent dit nog niet dat appellant tijdens bedoelde gesprekken niet in staat was zijn wil te bepalen. De Raad heeft geen reden het oordeel van de bedrijfsarts, dat appellant dit wel kon, voor onjuist te houden. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat appellant ook na 20 maart 2000 nog enige dagen heeft gewerkt om zijn werkzaamheden af te ronden. De Raad wijst er voorts op dat appellant tijdens het gesprek op 20 maart 2000 met een, door gedaagde overigens niet aanvaard, tegenvoorstel is gekomen om alle schade te vergoeden. Ook dit wijst er niet op dat appellant zich niet bewust was van zijn positie en de consequenties daarvan voor zijn rechtspositie. Het standpunt van appellant dat het op de weg van gedaagde, dan wel de rechtbank, had gelegen om een nader medisch onderzoek in te stellen, deelt de Raad derhalve niet.

4.4. De Raad erkent dat de aan appellant voorgehouden keuze is aan te merken als een keuze tussen twee kwaden, maar is van oordeel dat gedaagde hem die keuze kon en mocht voorhouden, nu de gerezen verdenking zeker niet zonder grond was. Daarbij is de Raad niet kunnen blijken dat gedaagde een ongeoorloofde druk op appellant heeft uitgeoefend. Appellant heeft enkele dagen bedenktijd gekregen, waarin hij zo nodig juridisch advies had kunnen inwinnen. Naar aanleiding van appellants mededeling ter zitting dat hij pas na het gesprek en het ontslagverzoek ontdekte dat er iets niet klopte, merkt de Raad op dat appellant ook daarna niet spoedig actie heeft ondernomen. Dat appellant, naar zijn zeggen op advies van de vakbond, het ontslagbesluit heeft afgewacht, dient voor zijn rekening te blijven. Overigens heeft het na de uitreiking van het ontslagbesluit van 31 mei 2000 nog tot 2 augustus 2000 geduurd alvorens appellant zich in het aanvullend bezwaarschrift voor het eerst op zijn psychische toestand heeft beroepen.

5. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Gelet op het vorenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat- van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

15.04