Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AR7781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
17-12-2004
Zaaknummer
00/4908 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelfstandig schadebesluit; wettelijke rente; niet tijdig beslissen voor inwerkingtreding Awb; ontbreken van connexiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4908 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 oktober 1998 heeft gedaagde het verzoek van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente als gevolg van het volgens hem te laat toekennen en uitbetalen van de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen.

Het tegen dit besluit door mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel, namens appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 13 april 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg heeft het door evengenoemde gemachtigde ingestelde beroep tegen het besluit van 13 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 31 maart 2000 ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 12 november 2002, waar partijen - appellant met kennisgeving - niet zijn verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven andermaal behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Met betrekking tot de ziekmelding van appellant van 29 juli 1991 heeft gedaagdes rechtsvoorganger bij besluit van 18 december 1991 geweigerd hem vanaf 18 november 1991 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij uitspraak van 17 september 1997 heeft de Raad onder andere de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 februari 1995, waarbij het beroep tegen evengenoemd besluit ongegrond werd verklaard, tezamen met dit besluit vernietigd onder bepaling van het nemen van een nader besluit. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft gedaagde bij besluit van 29 mei 1998 appellant met ingang van 18 november 1991 uitkering ingevolge de ZW toegekend. Vervolgens heeft gedaagde appellant bij besluit van 23 september 1998 na ommekomst van de daarvoor geldende wachttijd met ingang van 27 juli 1992 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien heeft de gemachtigde van appellant ook aanspraak gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente over de te laat toegekende en betaalde WAO-uitkering vanaf 27 juli 1992. Bij het primaire besluit van 19 oktober 1998 heeft gedaagde deze aanspraak afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde naar aanleiding van appellants verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wegens het niet tijdig toekennen en betalen van de hem toekomende WAO-uitkering vastgesteld dat de bepalingen ter zake van vergoeding van wettelijke rente met ingang van 1 januari 1992 in belangrijke mate zijn gewijzigd. In dit verband heeft gedaagde overwogen dat er sprake is van een onrechtmatig gebleken besluit ingevolge de ZW van 18 december 1991 waardoor appellant geen aanvraag heeft gedaan om een WAO-uitkering en waardoor omtrent appellants aanspraak op een WAO-uitkering met ingang van 26 (lees: 27) juli 1992 ook niet ambtshalve door gedaagdes rechtsvoorganger(s) is beslist. Voorts heeft gedaagde er - onder verwijzing naar de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet NBW) - op gewezen dat de gevolgen van het onrechtmatig besluit van

18 december 1991 doorwerken tot na 1 januari 1992, hetgeen meebrengt dat de bepalingen van het oude Burgerlijk Wetboek ook na 1 januari 1992 zijn blijven gelden. Nu de wettelijke rente eerst is gevraagd op 29 september 1998 en de betaling van de verschuldigde uitkering plaatvond op 23 september 1998 is, volgens gedaagde, geen wettelijke rente verschuldigd.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van gedaagde in essentie onderschreven. Ook de rechtbank was van oordeel dat het niet toekennen van een WAO-uitkering het rechtstreekse gevolg was van het besluit van 18 december 1991, zodat in verband met artikel 182 van de Overgangswet NBW artikel 1286 van het oude Burgerlijk Wetboek van toepassing is gebleven en appellant, gezien de datum van aanzegging, geen aanspraak heeft op wettelijke rente.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant betoogd dat artikel 182 Overgangswet NBW enkel ziet op het geval dat de tekortkoming in een verbintenis is ontstaan voor 1 januari 1992 en nadien wordt voortgezet. Daarvan is, aldus de gemachtigde, in dit geval geen sprake, nu het besluit om appellant in 1992 geen WAO-uitkering toe te kennen een zelfstandige beslissing is die los gezien moet worden van de eerdere weigering van ziekengeld. De gemachtigde wees er daarbij op dat de ZW en de WAO eigen criteria kennen voor de beoordeling van een aanvraag om uitkering. Subsidiair heeft de gemachtigde gesteld dat, indien de rechtspositie van appellant ingevolge de ZW en de WAO als één geheel moet worden beschouwd, er sprake is van een duurzaam doorlopende rechtsverhouding waarvan de gevolgen uiteenvallen in twee delen, te weten een deel beheerst door het recht van vóór de inwerkingtreding van het NBW op 1 januari 1992 en een deel beheerst door het recht na die inwerkingtreding. Meer subsidiair heeft de gemachtigde van appellant zich op het standpunt gesteld dat, ingeval artikel 1286, derde lid, van het oude Burgerlijk Wetboek van toepassing is, zijn brief van 12 december 1991 aan gedaagdes rechtsvoorganger reeds als een ingebrekestelling dient te worden beschouwd. Ten slotte wees de gemachtigde er op dat gedaagde hem wel wettelijke rente heeft betaald met betrekking tot de aanvankelijk geweigerde uitkering ingevolge de ZW.

In het verweerschrift wees gedaagde ter ondersteuning van zijn standpunt op de uitspraak van de Raad van 28 juni 1996 (RSV 1997,15). Voorts stelde gedaagde dat appellant aan onverschuldigd betaalde wettelijke rente met betrekking tot de uitkering van appellant ingevolge de ZW geen aanspraak kan ontlenen ter zake van een eveneens onverschuldigde schadevergoeding wegens te laat betaalde WAO-uitkering.

De Raad stelt vast dat in dit geding aan de orde is een na de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 januari 1994 gedaan verzoek om vergoeding van de wettelijke rente in verband met een gestelde te late betaling van de aan appellant eerst bij het besluit van gedaagde van 23 september 1998 met ingang van 27 juli 1992 toegekende WAO-uitkering.

Voor zover het verzoek van appellant is gegrond op het uitblijven van een beoordeling ingevolge de WAO van zijn arbeidsongeschiktheid na het einde van de wachttijd in juli 1992, overweegt de Raad dat tussen partijen niet in geschil is - en ook voor de Raad, gelet op artikel 34 van de WAO, zoals dit artikel in juli 1992 luidde, vaststaat - dat, nu achteraf is gebleken dat appellant bij voortduring arbeidsongeschikt is geweest, in verband met het alsnog toekennen van ziekengeld destijds een ambtshalve beoordeling van appellants eventuele recht op een WAO-uitkering had moeten plaatsvinden. Vaststaat dat in dit geval een ambtshalve beoordeling van die aanspraak in 1992 en nadien niet heeft plaatsgehad.

Op grond van de vóór 1 januari 1994 geldende regeling in de WAO en de Beroepswet kon tegen het uitblijven van besluitvorming geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Dat brengt mee dat de beslissing op de aanvraag om een zelfstandig schadebesluit in verband met dat uitblijven connexiteit ontbeert met een voor beroep bij de bestuursrechter vatbaar besluit. Blijkens vaste jurisprudentie van de bestuursrechter (zie onder andere de uitspraken van de Raad van 24 september 1997 (RSV 1998, 23) en 28 mei 2002 (USZ 2002, 308) staat daarmee vast dat deze beslissing ook zelf niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. Gedaagde had dan ook - oordelend in zoverre in lijn met de grondslag van het verzoek - het bezwaar tegen zijn besluit van 19 oktober 1998 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu dit niet is gebeurd, had de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond moeten verklaren en dit besluit in zoverre moeten vernietigen.

Voor zover het verzoek om schadevergoeding (mede) moet worden geacht gegrond te zijn op de in hoger beroep voorgedragen subsidiaire en meer subsidiaire stellingen van appellant, welke zien op de in het bestreden besluit neergelegde en door de rechtbank in essentie onderschreven afwijzingsgrond, is de Raad van oordeel dat, daargelaten of de gestelde schade een rechtens toereikend verband heeft met het onrechtmatig bevonden besluit ingevolge de ZW van 18 december 1991, het verzoek in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking komt. Ook al zou namelijk een rechtens relevant causaal verband als evenbedoeld moeten worden aangenomen, dan zou dat appellant in dit geval

niet baten. Er is dan immers sprake van een onrechtmatige gedraging van voor 1 januari 1992 welke is voortgezet na 1 januari 1992, zodat het in verband met de Overgangswet NBW aangewezen is aan te knopen bij hetgeen in artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek (oud) is neergelegd. Ingevolge artikel 1286, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (oud) is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist. Nu appellant gedaagde eerst op 29 september 1998 in gebreke heeft gesteld - een eerdere ingebrekestelling valt naar het oordeel van de Raad op grond van de stukken niet aan te nemen en in het bijzonder niet te lezen in de brief van appellants toenmalige gemachtigde van 12 december 1991 - en betaling van de WAO-uitkering reeds op 23 september 1998 heeft plaatsgevonden, is gedaagde met die betaling niet in verzuim geweest. In zoverre heeft gedaagde in het bestreden besluit niet een onjuist standpunt ingenomen en heeft de rechtbank het beroep niet ten onrechte ongegrond verklaard.

Gezien het eerder vermelde oordeel van de Raad met betrekking tot het uitblijven van besluitvorming, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding voor zover dat is gegrond op het uitblijven van een ambtshalve beoordeling ingevolge de WAO, onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit in zoverre en in aanmerking nemende dat gedaagde in zoverre geen andere beslissing kan nemen dan het uitspreken dat het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk is, zulks, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorziend, bij zijn uitspraak reeds doen. De Raad zal voorts het beroep voor het overige ongegrond verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,= voor die bijstand in hoger beroep, in totaal €644,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, voor zover daarbij is gehandhaafd de weigering een schadevergoeding te verstrekken vanwege het uitblijven van een WAO-besluit en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 19 oktober 1998 in zoverre niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,= en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W Engelhart

CVG