Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AQ3298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
20-07-2004
Zaaknummer
01/1490 AW + 01/1739 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag korpschef en mede in verband daarmee genomen besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1490 AW + 01/1739 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Groningen, gedaagde 1,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken, gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 februari 2001, nrs. AWB 97/1526 V04 en AWB 98/110 AW V04, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn de gronden van het beroep nader aangevuld, zijn nadere stukken overgelegd en getuigen aangemeld.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 oktober 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W. van Houtum, advocaat te Groningen. Gedaagden hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen en mr. M.W. Keizer, werkzaam bij de politieregio Groningen. Als getuigen zijn verschenen en gehoord M. Gozens, wonende te Hoogezand en J. Nijborg, wonende te Winschoten.

II. MOTIVERING

1.1. De Raad gaat aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende, als vaststaand aangenomen gegevens.

1.2. Appellant is sinds 1970 werkzaam geweest als politieambtenaar, vanaf 1984 als korpschef bij de gemeentepolitie Hoogezand-Sappemeer. In maart 1992 is hij in het kader van de reorganisatie bij de politie benoemd tot deelprojectleider van het nieuw te vormen district Oost van de politieregio Groningen. Met ingang van 14 juni 1993 is appellant vast benoemd tot chef district Oost bij die politieregio.

1.3. Op 2 september 1993 een gesprek plaatsgevonden tussen de korpsleiding en appellant over diens (vermeende) gedrag en functioneren. Medio maart 1994 heeft appellant zich ziek gemeld. Eind maart is er een eerste gesprek gevoerd met appellant om hem te bewegen zijn functie neer te leggen. In april en mei 1994 zijn de gesprekken voortgezet. De meningen over de uitkomst van die gesprekken lopen uiteen; volgens gedaagde heeft appellant zich in die gesprekken bereid verklaard zijn functie neer te leggen met behoud van zijn rechtspositie, volgens appellant heeft hij zich slechts bereid verklaard zijn functie neer te leggen als er voor hem een passende alternatieve functie op hetzelfde salarisniveau beschikbaar was. Op 26 mei 1994 heeft gedaagde in en persbericht en een persconferentie naar buiten gebracht dat appellant zijn functie als districtschef had neergelegd. De behandeling van het namens appellant in juni en juli 1994 gemaakte bezwaar tegen wat door hem werd genoemd “deze eenzijdige ontheffing uit zijn functie” is in overleg tussen partijen opgeschort in verband met de afspraak dat zou worden gezocht naar een minnelijke oplossing. In afwachting van het vinden van een oplossing was appellant bereid te gaan werken aan projecten. Omdat appellant zich voorts verzette tegen de benoeming van een ander in zijn functie is eind november 1994 besloten appellants functie tot uiterlijk 1998 te laten waarnemen. Tot begin 1995 heeft appellant projectmatige werkzaamheden verricht ten behoeve van de politieregio’s

Groningen en Drenthe. In 1995 zijn de gesprekken over een passende andere betrekking voortgezet. Nadat appellant in augustus 1995 te kennen had gegeven duidelijkheid te wensen over zijn positie omdat hij anders weer terug wenste te keren naar het district is hem in september 1995 een zestal functies voorgehouden. Appellant heeft daarop zijn voorkeur uitgesproken voor de hem al eerder in het vooruitzicht gestelde functie van directeur van een door de politieregio’s Groningen en Drenthe nog op te richten los van de politie- reorganisatie staand centrum voor Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT-centrum). In afwachting van de realisering van dit IBT-centrum heeft appellant zich bereid verklaard tot het verrichten van andere werkzaamheden en in dat kader is hij vanaf december 1995 op detacheringsbasis gaan werken bij Edon in Zwolle.

1.4. Toen de realisering van het IBT-centrum uitbleef, is namens appellant bij brief van 28 mei 1996 aan gedaagde 1 verzocht hem duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn positie bij het IBT-centrum dan wel hem terug te laten keren in zijn functie of een vergelijkbare, bestaande functie op schaal 14-niveau of hoger, dan wel tot een afvloeiingsregeling te komen. Toen bij volgende gesprekken duidelijkheid uitbleef is namens appellant bij brief van 22 november 1996 verzocht te reageren op de brief van

28 mei 1996, waarbij is aangegeven dat thans expliciet wordt verzocht te werk te worden gesteld in de eigen functie dan wel in een vergelijkbare bestaande functie bij de politieregio op schaal 14-niveau of hoger. Hierbij is tevens om vergoeding van schade verzocht op de grond dat appellant door toedoen van de korpsleiding in deze situatie is geraakt.

1.5. Bij brief van de gemachtigde van gedaagde 1 van 5 december 1996 is hierop aan de toenmalige gemachtigde van appellant meegedeeld dat van een terugkeer in de functie van districtschef Oost geen sprake meer kon zijn en dat gedaagde 1 zich zou beraden over tewerkstelling in een passende functie. Tegen deze brief is namens appellant bezwaar gemaakt, waarna tevens een voorlopige voorziening is verzocht aan de president van de rechtbank. Bij uitspraak van 24 april 1997, nr. AWB 97/11 AW V02, heeft de president van de rechtbank het besluit van 5 december 1996 geschorst, voorzover daarbij is geweigerd appellant in zijn functie van districtschef Oost bij de politieregio Groningen te laten hervatten en is gedaagde opgedragen appellant per 1 mei 1997 in zij functie als districtschef te werk te stellen.

1.6. Inmiddels had gedaagde appellant bij brief van 21 april 1997 het voornemen kenbaar gemaakt hem ingaande 1 juni 1997 eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 35 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Bij besluit van 29 april 1997 heeft gedaagde 1 appellant vervolgens met toepassing van artikel 39 van het Barp tot 1 juni 1997 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en bij besluit van 14 mei 1997 is aan appellant overeenkomstig het voornemen met toepassing van artikel 95, eerste lid, van het Barp, met ingang van 1 juni 1997 eervol ontslag verleend uit zijn functie van districtschef Oost wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen appellant en de korpsleiding.

1.7. Bij besluit van gedaagde 1 van 25 juni 1997 is aan appellant een bedrag van

f 25.000,- exclusief BTW toegekend als tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, waarbij is aangegeven dat die vergoeding geen deel uitmaakt van de in het kader van het ontslag (door gedaagde 2) te treffen regeling op grond van artikel 95, tweede lid, van het Barp.

1.8. Bij het in dit geding bestreden besluit van 16 september 1997 zijn de tegen de onder 1.5., 1.6. en 1.7. genoemde besluiten gemaakte bezwaren alle ongegrond verklaard.

2.1. Gedaagde 2 heeft op verzoek van gedaagde 1 bij besluit van 23 juni 1997 een regeling ingevolge artikel 95, tweede lid, van het Barp getroffen. Deze regeling hield in dat appellant met ingang van de ontslagdatum 1 juni 1997 tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd een uitkering op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 zal ontvangen, met dien verstande dat in afwijking van dat besluit de uitkering gedurende de eerste twee jaar 100%, de daarop volgende twee jaren 90%, het daarop volgende jaar 80% en vervolgens 70% van zijn laatstverdiende bezoldiging bedraagt. Verder is hierbij een anti-cumulatieregeling getroffen, waarbij, in afwijking van artikel 8 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, inkomsten uit arbeid of bedrijf met de uitkering zullen worden verrekend, voorzover de som van de uitkering en die inkomsten 110% van de bezoldiging te boven gaat.

2.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde 2 van

19 december 1997 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 16 september 1997 van gedaagde 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 5 december 1996 ongegrond is verklaard en het besluit van

16 september 1997 in zoverre vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat het bezwaar tegen het besluit van 5 december 1996 alsnog niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het besluit van 16 september 1997 is voor het overige ongegrond verklaard.

Het beroep tegen het besluit van gedaagde 2 van 19 december 1997 is ongegrond verklaard. Voorts zijn bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

Getuigen

5. De Raad acht geen termen aanwezig om te voldoen aan het namens appellant gedane verzoek om de door de gemachtigde bij exploot opgeroepen, niet verschenen getuigen alsnog op te roepen. De Raad acht zich op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens voldoende voorgelicht en is van oordeel dat het horen van deze getuigen niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de zaak.

Omvang van het geding in hoger beroep

6.1. Met betrekking tot de omvang van het geding in hoger beroep stelt de Raad allereerst vast dat namens appellant bij het instellen van hoger beroep uitdrukkelijk is aangegeven dat dit zich niet richt tegen het onder 1.7. genoemde besluit van gedaagde 1 met betrekking tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand. De Raad acht het in strijd met een goede procesorde om de omvang van het geding, zoals deze naar voren komt in het (aanvullend) beroepschrift, ter zitting uit te breiden tot andere onderdelen van de aangevallen uitspraak. Gedaagde mocht er, gezien de ingediende beroepsgronden, op vertrouwen dat dit deel van de aangevallen uitspraak niet meer in geding was. De Raad zal derhalve niet voldoen aan het namens appellant ter zitting gedane verzoek dit besluit alsnog in het hoger beroep in het geschil met gedaagde 1 te betrekken. Wel heeft appellant de zijns inziens ontoereikende vergoeding van kosten van rechtsbijstand aan de orde gesteld in de context van zijn grieven tegen de uitspraak in het geschil met gedaagde 2. De Raad kan op dat punt daarom slechts ingaan bij de bespreking van het geschil met gedaagde 2.

6.2. Voor zover appellant verder heeft beoogd thans nog grieven aan te voeren tegen de in het bestreden besluit van 16 december 1997 (door overneming van het advies van de Interregionale Adviescommissie voor de bezwaarschriften) vervatte handhaving van het besluit van 7 juni 1994 tot feitelijke ontheffing uit de functie van districtschef Oost, gaat dit de omvang van het geding te buiten, nu tegen dat onderdeel van het bestreden besluit geen beroep is ingesteld en ook de aangevallen uitspraak daarover niet behandelt.

De “amice-brief” van 5 december 1996

7.1. De rechtbank heeft met gedaagde 1 geoordeeld dat de amice-brief van 5 december 1996, waartegen het bezwaar van 20 december 1996 was gericht, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht bevat (Awb). Hiertoe is overwogen dat de brief van 5 december 1996 niet afkomstig is van een bestuursorgaan en evenmin geacht kan worden een namens een bestuursorgaan (in dit geval de korpsbeheerder) genomen besluit te zijn, omdat in die brief uitsluitend gerefereerd wordt aan het gesprek tussen de gemachtigden van partijen op 10 oktober 1996. Gedaagde 1 had naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren, hetgeen de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb alsnog heeft gedaan, met vernietiging van het bestreden besluit in zoverre.

7.2. De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Uit de brief van 5 december 1996 blijkt dat een bestuursorgaan, namelijk gedaagde 1, de beslissing heeft genomen appellant zijn oorspronkelijke werkzaamheden niet te laten hervatten. Dit is een besluit, inhoudend de weigering appellant in zijn functie van chef district Oost van de politieregio Groningen te herstellen, welk besluit een reactie vormde op het namens appellant bij de onder 1.4. genoemde brief van 22 november 1996 ingediende verzoek. Dat dit besluit is neergelegd in een brief van de toenmalige gemachtigde van gedaagde 1 kan aan het besluitkarakter niet afdoen.

7.3. Met betrekking tot deze weigering overweegt de Raad dat de inspanningen van gedaagde 1 om voor appellant een passende functie te vinden eind 1996 nog niet tot resultaat hadden geleid. Verder kan aan de hand van de gedingstukken worden vastgesteld dat inmiddels sprake was van een verstoorde verhouding tussen appellant en de korpsleiding. Gezien die situatie en het essentiële belang van een goede relatie van een districtschef met zijn leidinggevenden, heeft gedaagde 1, hoewel hij niet heeft gehandeld in overeenstemming met het in artikel 64 van het Barp neergelegde uitgangspunt dat bij een ontheffing in het belang van de dienst andere werkzaamheden of een andere functie worden opgedragen, in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om appellant niet meer te laten hervatten in zijn functie. Hierbij is van belang dat aan appellant wel functies zijn aangeboden, maar dat hij - zij het begrijpelijk, gezien de inschatting van de kans op oprichting van het IBT, ook door leidinggevenden - hiervan geen gebruik heeft gemaakt, maar ervoor heeft gekozen die ontwikkelingen af te wachten en inmiddels via detacheringen andere werkzaamheden te verrichten. Daarbij merkt de Raad op dat appellant blijkens de gedingstukken steeds heeft vastgehouden aan zijn eis dat een functie slechts passend was als daaraan schaal 14 of hoger was verbonden, welke eis het vinden van een oplossing niet gemakkelijker heeft gemaakt.

7.4. Gezien hetgeen onder 6.2. en 6.3. is overwogen, houdt de handhaving van het besluit van 5 december 1996 in het bestreden besluit van 16 september 1997 in rechte stand en dient met vernietiging van de aangevallen uitspraak inzoverre, het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard.

Het ontslagbesluit

8. Evenals de rechtbank en in aansluiting op hetgeen onder 6.3. is overwogen, stelt de Raad vast dat ten tijde van het primaire ontslagbesluit sprake was een wederzijds onherstelbaar verstoorde relatie tussen appellant en de korpsleiding, hetgeen ook van de zijde van appellant is erkend. Appellant heeft tegen die ontslagverlening dan ook geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Bovendien hadden de burgemeesters van de gemeenten in het district Oost in een schrijven van 29 april 1997 aan gedaagde 1 te kennen gegeven geen enkel vertrouwen meer te hebben in appellant als districtschef. Ook al zouden de burgemeesters door de korpsleiding zijn uitgenodigd een dergelijke verklaring af te leggen, zoals van de zijde van appellant is aangevoerd, dan doet dit aan de inhoud ervan niet af en is zij van zwaarwegende betekenis, gezien de positie van appellant als districtschef. Ook de leden van het managementteam van het district Oost hebben zich in een verklaring van 14 mei 1997 uitgesproken tegen terugkeer van appellant als districtschef. Dat een aantal medewerkers van het district Oost wel draag- vlak aanwezig achtten voor terugkeer van appellant, kan aan het vorenstaande niet afdoen. Nu voorts gedurende een aanzienlijke periode tevergeefs was getracht om appellant elders te plaatsen, is ook de Raad van oordeel dat gedaagde 1 bevoegd was om over te gaan tot ontslag ingevolge artikel 95, eerste lid, van het Barp. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde 1 in redelijkheid gebruik kon maken van deze bevoegdheid en daarmee niet in strijd is gekomen met enige algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De uitkeringsregeling

9.1. Op grond van artikel 95, tweede en derde lid, van het Barp wordt in geval van ontslag (door gedaagde 1) ingevolge het eerste lid, door gedaagde 2 een regeling getroffen, waarbij aan de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 van het Barp zou toekomen in geval van ontslag als daar bedoeld. Aan appellant is tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd een uitkering toegekend, zoals vermeld onder 2.1. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat beide partijen in nagenoeg gelijke mate verantwoordelijk moeten worden geacht voor de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid en dat gedaagde 2 het aandeel van de korpsbeheerder/korpsleiding in het ontstaan van de verstoorde verhouding met appellant voldoende heeft gecompenseerd door hetgeen hij aan appellant boven de gewone regeling van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 heeft toegekend. Het achterwege blijven van een compensatie voor het verlies aan pensioenopbouw achtte de rechtbank voldoende gecompenseerd door de ruimere anticumulatieregeling.

9.2. De Raad kan zich in dit oordeel van de rechtbank niet vinden en overweegt daartoe als volgt. De Raad acht, gezien de in dit geding voorhanden zijnde gegevens, sprake van een overwegend aandeel van de korpsleiding/korpsbeheerder in de verstoorde verhouding die tot het onderhavige ontslag heeft geleid. Appellant is door de korpsleiding in het bijzonder verweten tekort te schieten in communicatie met zijn leidinggevende en met andere, zoals de genoemde burgemeester. Appellant werd hiermee onverhoeds geconfronteerd in een gesprek met zijn leidinggevenden op 2 september 1993. Op zichzelf is dat verwijt in dat gesprek en nadien naar het oordeel van de Raad echter niet of nauwelijks concreet onderbouwd, laat staan dat duidelijk is geworden dat en waarom sprake was van een zodanig gebrekkig functioneren dat appellant niet in zijn functie kon worden gehandhaafd. De Raad is niet gebleken dat de in dat gesprek aan de dag getreden en nadien toegenomen wrijving tussen de korpsleiding en appellant op appellants conto moet worden geschreven. Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde verklaringen van een aantal betrokkenen - onder andere afkomstig van het ten tijde in geding functionerende Hoofd Stafdienst Personeel, een voormalig hoofd van de personeelsdienst van het voormalig district Groningen van de Rijkspolitie en van een drietal inspecteurs van de politieregio - komt daarentegen naar voren dat de korpschef zich in het gecompliceerde reorganisatieproces waarin de politieregio verkeerde, van een stijl van leidinggeven bediende die jegens andere participanten in dat proces, onder wie appellant, op essentiële punten als inadequaat moet worden aangemerkt. Daardoor is de verhouding tussen de korpsleiding en appellant onder druk komen te staan en werd appellants functioneren bemoeilijkt. Al spoedig is een onomkeerbaar proces ontstaan niet in de laatste plaats door negatieve publicaties, als gevolg van het feit dat vooral gedaagde 1 zelf zich op (onnodig) beschadigende wijze omtrent appellant heeft uitgelaten. Weliswaar heeft appellant zich in de periode na het neerleggen van zijn functie in mei 1994 niet altijd even soepel opgesteld ten aanzien van de mogelijkheden om elders een functie te aanvaarden, maar dit is hem, mede gezien het voorgaande, niet zwaar aan te rekenen.

9.3. Ook gedaagde 2 heeft blijkens de getroffen regeling onderkend dat, gezien de omstandigheden, niet kon worden volstaan met een normaal wachtgeld, maar een aanzienlijk voordeliger moest worden regeling getroffen. De Raad acht de hoogte van de aan appellant tot zijn 65e jaar te verstrekken uitkering op zich toereikend, maar acht het ontbreken van elke tegemoetkoming in de uitkeringsregeling in de door ontslag gedeeltelijk gemiste pensioenopbouw niet redelijk. Dit, gezien de leeftijd van appellant ten tijde van het ontslag aanzienlijke nadeel, dient naar het oordeel van de Raad niet (geheel) ten laste van appellant te komen. De Raad tekent hierbij aan dat appellant na het voltooien van zijn opleiding aan de Nederlandse Politieacademie vanaf 1970 gedurende zijn gehele werkzame leven bij de politie heeft gewerkt en er vóór het ontstaan van de onderhavige situatie geen enkele aanleiding was te veronderstellen dat appellant niet tot zijn functioneel leeftijdsontslag bij de politie werkzaam zou blijven.

9.3.1. De Raad ziet geen aanleiding gedaagde 2 gehouden te achten in de getroffen regeling rekening te houden met niet vergoede kosten van rechtsbijstand. De Raad wijst daarbij op de vergoeding van f 25.000,- exclusief BTW die door gedaagde 1 reeds is verstrekt terzake van diens besluit vorming. Voor het overige wijst de Raad op hetgeen hij hierna onder punt 12 overweegt.

9.4. Gezien het in 9.2 en 9.3 overwogene houdt het bestreden besluit van 19 december 1997, waarbij het bezwaar tegen de door gedaagde 2 vastgestelde uitkeringsregeling ongegrond is verklaard, in zoverre geen stand. Mede gelet op de al jarenlang tussen partijen voortdurende rechtsstrijd ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat de bij het primaire besluit vastgestelde uitkeringsregeling alsnog wordt uitgebreid met een tegemoetkoming in door het ontslag geleden pensioenschade tot een bedrage van € 15.000,-, welk bedrag door gedaagde 2 ter beschikking wordt gesteld ter financiëring van een door appellant aan te wijzen (uitbreiding van een) pensioenvoorziening.

10. Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van gedaagde 1 van 16 september 1997 tot handhaving van het ontslagbesluit ongegrond is verklaard. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

11. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om gedaagde 2 met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de gestelde geleden immateriële schade, aangezien die niet in het vereiste causaal verband staat tot het vernietigde uitkeringsbesluit. Voorzover de door gedaagde 1 in het openbaar in het openbaar uitlatingen zijn gedaan die als aantasting van eer en goede naam kunnen worden beschouwd, wijst de Raad erop dat appellant hier destijds niet tegen is gekomen en dat deze negatieve uitlatingen blijkens het in 9.2. overwogene mede in aanmerking zijn genomen bij de bepaling van het aandeel van gedaagde in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen en daarom hebben meegewogen bij de beoordeling van de redelijkheid van de door gedaagde 2 getroffen uitkeringsregeling.

12. De Raad acht wel termen aanwezig om gedaagde 2 met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant met betrekking tot het beroep ter zake van de uitkeringsregeling. Deze worden begroot op € 644,- voor rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor rechtsbijstand in hoger beroep, € 33,10 aan reiskosten en € 204,10 aan kosten voor de getuigen, zijnde in totaal respectievelijk

€ 644,- en € 881,20.

13. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het bij het besluit van gedaagde 1 van 16 september 1997 gehandhaafde ontslagbesluit ongegrond is verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover bestreden, voor het overige;

Verklaart het inleidend beroep tegen de bij het besluit van gedaagde 1 van 16 september 1997 gehandhaafde weigering om appellant de werkzaamheden in zijn functie van districtschef Oost te laten hervatten alsnog ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van gedaagde 2 van 19 december 1997 tot handhaving van de bij besluit van 23 juni 1997 getroffen uitkeringsregeling,

alsnog gegrond voorzover gedaagde 2 daarbij heeft nagelaten in de uitkeringsregeling te voorzien in een tegemoetkoming in de door appellant geleden schade ten gevolge van door het ontslag gedeeltelijk gemiste pensioenopbouw;

Vernietigt het besluit van gedaagde 2 van 19 december 1997 tot handhaving van de bij besluit van 23 juni 1997 getroffen uitkeringsregeling in zoverre;

Bepaalt dat gedaagde 2 een regeling treft als in deze uitspraak onder 8.4. is aangegeven;

Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- in beroep en € 881,20 in hoger beroep te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden de door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep terzake van het uitkeringsbesluit betaalde griffierechten bedrage van € 249,58 (voorheen f 550,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2003.

(get.) mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.

RB0801