Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AP4469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
01-07-2004
Zaaknummer
02/3011 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om een extra pensioentoekenning, met toepassing van AH-bepaling gebaseerd op over een buitengewoon verlofperiode onverschuldigd betaalde pensioenpremie, ongedaan te maken onder restitutie van de premie. Dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3011 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

De Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2002, nummer AWB 01/03008 MPW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 mei 2003. Daar heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door W.A.M.C. Rouet, werkzaam bij de Stichting Pensioen-fonds ABP, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.H. van Hulsen, werkzaam bij de vakbond VBM/NOV, en door zijn echtgenote.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Gedaagde, toen beroepsmilitair bij de Koninklijke Marine, heeft van 19 april 1982 tot 1 februari 1983 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging (hierna: de verlofperiode) genoten teneinde in burgerlijke overheidsdienst werkzaamheden in Peru te verrichten; aansluitend is gedaagde met functioneel leeftijdsontslag gegaan. In de verlofperiode was gedaagde deelnemer in het toenmalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds. Daarnaast heeft gedaagde over die periode, met het oog op toepassing van de Wet, desgevorderd aan het ministerie van Defensie pensioenpremie betaald ten bedrage van ruim f 9000,--.

Bij nader besluit van 10 mei 1999 heeft appellant, op verzoek van gedaagde, alsnog - met toepassing van de in artikel F12 van de Wet vervatte anti-hardheidsbepaling - ook de verlofperiode in het gedaagde per 19 januari 1998 toekomende militair pensioen betrokken.

Aangezien gedaagde inmiddels was gebleken dat - anders dan hij destijds meende - voor de betaling van pensioenpremie over de verlofperiode ingevolge de Wet geen grondslag bestond, en bovendien de netto-opbrengst daarvan in termen van extra militair pensioen

- mede in verband met een korting terzake op het hem over die periode tevens toe-komende pensioen ingevolge de (voormalige) Algemene burgerlijke pensioenwet - te verwaarlozen was, heeft hij appellant in januari 2001 verzocht om voormeld toekenningsbesluit van extra pensioen ongedaan te maken en de over de verlofperiode ten onrechte betaalde pensioenpremie te restitueren.

Appellant heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 28 maart 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2001, onder overweging - samengevat - dat het steeds gedaagdes inzet is geweest om de verlofperiode in het militaire pensioen te betrekken en het niet aangaat om daarop weer terug te komen indien het resultaat tegenvalt.

In beroep tegen laatstgenoemd besluit heeft gedaagde betoogd dat eerst later duidelijk is geworden dat voor de onderhavige premiebetaling geen wettelijke grondslag bestond.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.

Onder vaststelling, aan de hand van de desbetreffende bepalingen van de Wet, dat voor betaling van de onderhavige premie geen wettelijke grondslag bestond, heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de premiebetaling, op eigen verzoek van gedaagde, inmiddels heeft geresulteerd in vergelding met pensioen, niet met zich brengt dat gedaagde zich niet meer kan beroepen op het ook in het administratieve recht geldende, algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat niet meer kan worden gesproken van onverschuldigde betaling nu gedaagde zelf, met een beroep op de door hem betaalde premie, expliciet heeft verzocht om de verlofperiode met pensioen te vergelden en aan dit verzoek daadwerkelijk gevolg is gegeven.

Voorts is aangevoerd dat ten tijde van de verlofperiode niet aanstonds duidelijk was dat gedaagde over die periode uitzicht had op een ander overheidspensioen en derhalve geen pensioenpremie ingevolge de Wet verschuldigd was, en dat het bovendien op de weg van gedaagde had gelegen om, zodra hem duidelijk werd dat op twee fronten pensioenpremie werd betaald, dit aan één der pensioenadministraties kenbaar te maken.

De Raad overweegt als volgt.

In dit geding staat vast, zoals door appellant ook is erkend, dat de Wet geen grondslag bevat voor enigerlei premiebetaling door gedaagde over de verlofperiode.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting heeft de Raad voorts moeten vaststellen dat beide partijen, dus evenzeer appellant, gedurende lange tijd hebben gedwaald over de vraag of de premiebetaling over de verlofperiode rechtens juist is geweest. Gebleken is dat die dwaling nog voortduurde ten tijde van de indiening van het aan het besluit van 10 mei 1999 ten grondslag liggende verzoek van gedaagde en een daarover tussen partijen gevoerde bespreking. In ieder geval is aan gedaagde toen door appellant niet expliciet voorgehouden dat de bewuste premie ten onrechte was betaald en is hem niet gewezen op de (eventuele) mogelijkheid om teruggave van de premie te vragen.

Onder deze omstandigheden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de premiebetaling inmiddels heeft geresulteerd in een vergelding met pensioen niet als genoegzame motivering kan gelden voor de in het bestreden besluit neergelegde weigering.

Al hetgeen appellant in hoger beroep overigens heeft doen aanvoeren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde tot een bedrag groot € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep en een bedrag groot € 16,88 als reiskosten van gedaagde.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 338,88, te betalen door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie);

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) een recht van € 348,-wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.