Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO6448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2003
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
02/4365 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van kosten gemaakt in bezwaarfase.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4365 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inko-men in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorga-nisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft P.J. Reeser, medewerker van SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder kenmerk AWB 01/1498 WW op 12 augustus 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 2004, waar namens appel-lant diens gemachtigde voornoemd is verschenen, terwijl gedaagde zich, met bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 9 oktober 1998 heeft gedaagde, na heroverweging in bezwaar, beslist dat bij de werkgever van appellant geen blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen bestond en dat om die reden aan appellant geen uitkeringen in het kader van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) zouden worden gedaan. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit bij uitspraak van 3 maart 2000 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de werkgever van appellant per 1 maart 1998 verkeerde in een blijvende toestand waarin hij was opge-houden met betalen.

Op 4 oktober 2000 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek om de wettelijke rente te betalen vanaf de data waarop de bedragen in het kader van hoofdstuk IV van de WW uitgekeerd hadden moeten worden. Tevens heeft appellant bij die gelegenheid gedaagde verzocht de kosten te vergoeden die door hem waren gemaakt ter zake van de bezwaarprocedure. Appellant heeft deze kosten begroot op f 2.126,80 (€ 965,10).

Bij besluit van 4 mei 2001 heeft gedaagde een vergoeding toegekend van f 153,10 (€ 69,47), welke vergoeding was gebaseerd op een tijdverlies van 4 uur à f 27,60 (€12,52) en een bedrag van f 43,10 (€ 19,56) voor reiskosten. Tevens is de wettelijke rente over dit bedrag betaald, te rekenen vanaf 1 oktober 1998. Voor de onderbouwing van deze beslissing heeft gedaagde onder meer verwezen naar de Handleiding bij de beoordeling van verzoeken om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, neergelegd in de Mededeling van het Lisv van 14 april 2000, nr. M 00.040.

De daartegen ingediende bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 11 oktober 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen dat gedaagde overeenkomstig het beleid heeft gehandeld en dat gedaag-de in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen.

De Raad overweegt als volgt.

Namens appellant is onder meer betoogd dat de omvang van de schadevergoedingsplicht op een andere wijze dient te worden bepaald dan bij het bestreden besluit is geschied en dat de door appellant opgevoerde kosten, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999, (NJ 2000, 88, AB 2000/89, JB 2000/4 en USZ 2000/30) integraal vergoed dienen te worden.

Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Raad, ook van na die datum (zie bijvoorbeeld CRvB 17 oktober 2000, USZ 2001/22), is de Raad echter van oordeel dat slechts aan-leiding bestaat om over te gaan tot een vergoeding van de kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt indien de besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat tegen beter weten in is besloten. Het is de Raad niet gebleken dat daar-van in het onderhavige geval sprake is.

Gedaagde hanteert in het kader van verzoeken als de onderhavige een beleid dat is neer-gelegd in de Lisv Mededeling M 00.040. Op grond van dat beleid kunnen onder meer de kosten die een betrokkene zelf heeft gemaakt worden vergoed voor reiskosten in verband met het bezoek aan de hoorzitting en kan een vergoeding worden verstrekt voor tijdver-lies. Ten aanzien van telefoonkosten vermeldt het beleid dat deze aan de hand van een gespecificeerde nota aangetoond moeten worden. De Raad acht dit geen onredelijk be-leid. De Raad stelt tevens vast dat gedaagde overeenkomstig dit beleid heeft beslist. Daarbij heeft gedaagde het tijdverlies van appellant in redelijkheid kunnen stellen op vier uur. Dat appellant als zelfstandige naar eigen zeggen de gehele dag voor zijn bedrijf werkzaam was, doet niet af aan de redelijkheid van dat aantal uren. Daarbij merkt de Raad nog op dat niet valt in te zien hoe appellant, als hij inderdaad 112 uur per week werkte, 60 uur heeft kunnen besteden aan dossiervorming en bestudering van de door hem geëntameerde zaak. De door gedaagde gestelde eis dat appellant een specificatie van zijn porto- en telefoonkosten overlegt acht de Raad evenmin onredelijk. Nu er voorts geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot een afwijking van het in Mededeling M 00.040 neergelegde beleid, kan het bestreden besluit in stand blijven. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

GdJ/272