Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO6322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
01/975 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verhuizing naar verzorgingstehuis wordt vergoeding van de kosten van extra huishoudelijke hulp teruggebracht naar twee uren per week naast de door het verzorgingstehuis geboden huishoudelijke hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/975 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Israël), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 17 november 2000, kenmerk JZ/A70/2000/1014, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. In haar beroepschrift (met bijlagen) heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiseres schriftelijk heeft gereageerd.

Naar aanleiding van een verzoek van de Raad aan verweerster om overlegging van een in een gedingstuk genoemde brief heeft zowel verweerster als eiseres schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 maart 2003. Voor eiseres is verschenen [naam echtgenoot], haar echtgenoot. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1923, erkend als vervolgde in de zin van de Wet onder aanvaarding dat haar psychische klachten, waaronder de psychische verwerking van de gewrichts-, rug- en nekklachten, de adipositas, de lichte hypertensie en het in lichte graad voorkomende fenomeen van Raynaud in verband staan met de door haar ondergane vervolging. Aan haar zijn een periodieke uitkering en een vergoeding van de kosten van diverse voorzieningen toegekend, waaronder bij besluit op bezwaar van 9 juni 1992 voor uitbreiding van extra huishoudelijke hulp naar tweemaal een halve dag (= acht uren) per week. Met haar echtgenoot bewoonde zij toen te Netanya een flatwoning.

In december 1999 hebben eiseres en haar echtgenoot te [woonplaats] hun intrek genomen in twee van het verzorgingstehuis Beth Juliana deel uitmakende, naast elkaar gelegen woningen, waarvan één woning is gemaakt. In verband daarmee heeft verweerster bij besluit van 26 april 2000 per 1 mei 2000 de vergoeding van de kosten van extra huishoudelijke hulp teruggebracht naar twee uren per week naast de door Beth Juliana geboden huishoudelijke hulp, onder afwijzing van het verzoek van eiseres van februari 2000 om handhaving van een vergoeding voor vier uur extra huishoudelijke hulp. Verweerster is daartoe overgegaan op grond van de overweging dat voor meer dan twee uren per week extra huishoudelijke hulp (naast de ook nog door Beth Juliana geboden huishoudelijke hulp) op grond van de uit de vervolging van eiseres voortvloeiende ziekten of gebreken geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid aanwezig is.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar primaire besluit gehandhaafd op advies van haar geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg, overwegende in het bijzonder dat de toegekende vergoeding voor twee uren per week extra huishoudelijke hulp op grond van haar als causaal aanvaarde klachten toereikend moet worden geacht en dat het niet tot uitbetaling komen van de toegekende vergoeding van de verzorgingskosten, noch het betrekken van een dubbele woning tot een ander oordeel kan leiden.

In beroep tegen dit besluit heeft eiseres - samengevat - aangevoerd dat, hoewel zij met haar echtgenoot voor elk van de beide woningen de volledige verzorgingsprijs betaalt, Beth Juliana uitgaat van één woning en aan hen om die reden in totaal slechts éénmaal voor twee uren per week huishoudelijke hulp verstrekt, zodat zij aanspraak heeft op een vergoeding door verweerster voor zes uren per week extra huishoudelijke hulp. Immers, in Netanya kreeg zij van verweerster op medische gronden een vergoeding voor acht uren per week extra huishoudelijke hulp, terwijl de verhuizing naar Beth Juliana niet heeft geleid tot een verbetering van haar gezondheid en/of tot een vergroting van haar woonruimte.

De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden en overweegt het volgende.

Blijkens de gedingstukken hanteert verweerster bij de toepassing van artikel 20 van de Wet ten aanzien van de kosten van extra huishoudelijke hulp (waartoe verweerster rekent alle activiteiten met betrekking tot de verzorging van het huishouden, óók het bereiden van maaltijden, maar niet hulp bij zelfverzorging, zoals wassen, aankleden e.d.) richtlijnen, waarvoor het kader ten tijde van de verhuizing van eiseres was aangegeven in de notitie "Harmonisatie vergoeding huishoudelijke hulp" van 10 december 1998, zoals aangepast op 23 maart 1999. Deze richtlijnen houden onder meer in dat bij opname in een verzorgings- of verpleeghuis de vergoeding voor (extra) huishoudelijke hulp wordt ingetrokken en dat bij opname in een verzorgingshuis op verzoek vergoeding voor twee uren per week zonder nieuwe medische beoordeling opnieuw kan worden toegekend. In zoverre gaat het om handhaving van reeds sedert begin 1992 gehanteerde richtlijnen.

Gegeven dat de vanwege een verzorgingshuis geboden verzorging in de regel allesomvattend is, is de Raad van oordeel dat verweerster zich met deze richtlijnen niet heeft begeven buiten de grenzen van een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van de Wet en dat een in overeenstemming met deze richtlijnen genomen besluit de aan te leggen rechterlijke toetsing in beginsel kan doorstaan.

Niet in geschil is dat Beth Juliana een verzorgingstehuis is als in de richtlijnen bedoeld.

De Raad is voorts niet gebleken dat de door verweerster verstrekte vergoeding voor twee uren per week extra huishoudelijke hulp, naast de door Beth Juliana geboden huishoudelijke hulp, in de praktijk niet toereikend zou zijn voor de huidige woning, die met een oppervlakte van in totaal 98 m² ook nog beduidend kleiner is dan woning in Netanya die - afgaande op de gedingstukken - een oppervlakte van 140 m² had.

Eiseres heeft volstaan met het trekken van een vergelijking van de situatie waarin zij verkeert sinds de verhuizing naar Beth Juliana met de situatie waarin zij tot dan toe verkeerde. Het trekken van die vergelijking is op zich niet onbegrijpelijk, maar daarin kan eiseres toch niet worden gevolgd, omdat zij daarbij voorbijgaat aan het uitgangspunt dat de vanwege een verzorgingshuis geboden verzorging in de regel als allesomvattend is te beschouwen. De verhuizing heeft ertoe geleid dat op haar een ander regiem van toepassing is geworden. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd, is zij er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat evenvermeld uitgangspunt onjuist is. Gegeven dat uitgangspunt kan eiseres niet staande houden dat zij met de toekenning van een vergoeding voor twee uren per week extra huishoudelijke hulp naast de door Beth Juliana geboden huishoudelijke hulp tekort is gedaan. De Raad tekent hierbij nog aan dat veelal uit het oog wordt verloren dat het bij de vergoeding van huishoudelijke hulp in het kader van artikel 20 van de Wet niet gaat om vergoeding van alle, maar "slechts" om vergoeding van extra huishoudelijke hulp.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat en dat derhalve het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Bij gebrek aan termen voor een proceskostenveroordeling van verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.