Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO6225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
01/2963 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden door het nemen van ontslag bij zijn werkgever.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 147
USZ 2004/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2963 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 17 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. G.R. Dorhout-Tielken, advocaat te Soest, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 november 2003, waar namens appellant is verschenen mr. P.A.L. Nieuwenhuis, medewerker van het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde is op 7 april 1993 als product-manager in dienst getreden van Ala Bianca Benelux B.V. (hierna: Ala Bianca). Op 9 maart 1998 is zij in verband met spanningsklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 2 november 1998 heeft zij haar werkzaamheden op therapeutische basis gedeeltelijk hervat. In januari 1999 is zij vier dagen per week gaan werken en op 8 februari 1999 is zij hersteld verklaard en heeft zij haar werkzaamheden in de volle omvang hervat. Gedaagde voelde zich echter niet meer geaccepteerd op haar werk en kreeg onvoldoende steun en begeleiding om welke reden zij per 30 april 1999 ontslag heeft genomen. In mei 1999 is zij vervolgens via een uitzendbureau voor de duur van twee maanden werkzaamheden gaan verrichten bij een elektronicaconcern. Die aanstelling is verlengd, maar is uiteindelijk per 11 september 1999 beëindigd in verband met een reorganisatie binnen het concern.

Gedaagde heeft vervolgens op 21 september 1999 een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 11 oktober 1999 heeft appellant m.i.v. 13 september 1999 de uitkering blijvend geheel geweigerd omdat gedaagde, naar de mening van appellant, verwijtbaar werkloos was geworden door het nemen van ontslag bij Ala Bianca.

Bij besluit van 6 januari 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de tegen het besluit van 11 oktober 1999 gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij overwogen dat de laatste dienstbetrekking is geëindigd wegens het einde van de opdracht en niet aan gedaagde is te verwijten. Niettemin is er volgens appellant sprake van een verwijtbare werkloosheid omdat gedaagde werk had bij Ala Bianca voor onbepaalde tijd, terwijl er op het moment waarop zij ontslag nam nog geen sprake was van uitzicht op een nieuwe baan. Daarmee nam zij volgens appellant een voorzienbaar werkloosheidsrisico. De verwijzing van gedaagde naar de langdurige ziekte en het risico dat langer in dienst blijven tot ziekte zou hebben geleid, heeft appellant bij het bestreden besluit verworpen onder de overweging dat gedaagde zich in principe opnieuw ziek had moeten melden indien de situatie haar ziek had gemaakt. Ondertussen had gedaagde dan uit kunnen kijken naar een andere baan. Indien er echter sprake is van een acute medische noodzaak is de ontslagname volgens appellant echter niet te verwijten. Appellant heeft beoordeeld of daarvan sprake was en is, onder verwijzing naar een rapportage van een verzekeringsgeneeskundige, tot de conclusie gekomen dat er in casu geen sprake was van een acute medische noodzaak.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad (22 maart 2000, RSV 2000/121) heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet kon volstaan met de verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsgeneeskundige en de constatering dat een acute medische noodzaak heeft ontbroken, maar dienen de concrete omstandigheden van het geval in beschouwing te worden genomen. In casu ontbreekt een advies tot ontslag van een arts of een arbodienst, maar het ontbreken van een dergelijk advies door een deskundige sluit volgens de rechtbank niet uit dat er daarnaast nog andere omstandigheden zijn die in de beoordeling dienen te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank had de verzekeringsarts ook de mogelijkheid bij de betreffende deskundigen navraag te doen naar mogelijke andere relevante omstandigheden dan de acute medische noodzaak, terwijl niet is gebleken dat de verzekeringsarts in contact is getreden met de behandelend arts of de arbodienst.

In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat het bestreden besluit dateert van voor de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 maart 2000. Naar aanleiding van die uitspraak heeft appellant echter zijn beleid gewijzigd en de beoordeling niet langer beperkt tot het al dan niet aanwezig zijn van een acute medische noodzaak. Appellant heeft vervolgens de omstandigheden waaronder gedaagde ontslag heeft genomen getoetst aan het nieuwe beleid. Naar de mening van appellant is de ontslagname op medische gronden door gedaagde ook conform het nieuwe beleid verwijtbaar te achten in het kader van de WW.

In het verweerschrift heeft de gemachtigde van gedaagde er onder meer op gewezen dat op basis van de toets aan het nieuwe beleid van appellant geconcludeerd moet worden dat het werken van gedaagde ten koste van haar gezondheid ging en dat er niet binnen afzienbare termijn een einde aan die situatie zou komen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat het geding zich beperkt tot de vraag of de door gedaagde aangevoerde medische omstandigheden rechtvaardigen dat zij ontslag heeft genomen bij Ala Bianca. Onbetwist is dat gedaagde in maart 1998 is uitgevallen door overspanning, gepaard gaande met onder meer slaapstoornissen, concentratiezwakte, emotionele labiliteit en depressieve kenmerken. De uitval van gedaagde is blijkens de rapportage van de arts van de betrokken arbodienst veroorzaakt door de groei van het bedrijf en onderbezetting in de personele sfeer. Volgens die rapportage is gedaagde in haar eigen ogen letterlijk ziek geworden van het werk en de werkomstandigheden en heeft de werkgever haar laten vallen. Uit de rapportage van de arts van de arbodienst blijkt voorts dat gedaagde reeds tijdens haar ziekte een lang gesprek heeft gehad met haar werkgever en dat zij niet de indruk had dat ze met haar problemen de werkgever bereikte. Daarbij wordt door de arbo-arts aangetekend dat de inmiddels scheef gegroeide verhouding tussen gedaagde en haar werkgever de integratie zullen bemoeilijken. Na haar gedeeltelijke hervatting heeft gedaagde op 13 januari 1999 bij de arts van de arbodienst aangegeven dat zij onvoldoende steun en begeleiding van de werkgever kreeg.

In de nadere toets die appellant naar aanleiding van de meergenoemde uitspraak van deze Raad heeft laten uitvoeren door de bezwaarverzekeringsarts Y. van der Voort, welke toets is neergelegd in een zogenoemd medisch rapport van 9 juli 2001, blijkt dat gedaagde bij hervatting haar werk tot schade van haar gezondheid zou gaan doen, waarvoor als onderbouwing wordt gegeven dat de klachten van betrokkene duidelijk werden veroorzaakt door de werksituatie en dat hierin geen verandering was opgetreden na een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid. Tenslotte blijkt uit dit medisch rapport dat aan deze situatie niet binnen afzienbare termijn een einde zou komen.

Gelet op de in dit geding aan de orde zijnde vraag, komt de Raad op basis van beide rapporten dan ook tot het oordeel dat gedaagde ter zake van het door haar genomen ontslag op medische gronden geen verwijt treft. De stelling van appellant dat het voor het ontbreken van die verwijtbaarheid tevens noodzakelijk is dat gedaagde een advies van een arbo-arts of een huisarts - bedoeld zal zijn een behandelend medicus - heeft gekregen zou wellicht onder omstandigheden opgaan, maar in casu is van een dergelijk advies geen enkele toegevoegde waarde meer te verwachten, nu immers - de bezwaarverzekeringsarts bij - appellant achteraf van mening is dat het verrichten van de werkzaamheden tot schade van de gezondheid zou zijn en dat aan de situatie niet binnen afzienbare termijn een einde zou komen, hetgeen neerkomt op een bevestiging van het standpunt dat gedaagde reeds vanaf het moment van haar ontslagname bij Ala Bianca heeft ingenomen.

Dit betekent derhalve dat appellant de gevraagde WW-uitkering ten onrechte onder verwijzing naar de afwezigheid van een medische rechtvaardiging heeft geweigerd. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspaak met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op

€ 322,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 327,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003.

(get. ) M.A. Hoogeveen

(get.) P. Boer

FB/8/1